Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bus - (doos, blik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bus 1 zn. ‘metalen doos’
Mnl. bosse ‘bus’ [1240; Bern.], busse ‘bus, trommel’ [1254; CG I, 61], ook busse ‘vuurroer’ [1420; WNT].
Met klankwettige -s uit -sk (zie → as 2) ontstaan uit ouder, maar niet meer geattesteerd *buske, *boske, een vroege ontlening aan vulgair Latijn *buxis ‘doos, trommel’ < Latijn buxus < Grieks puxis, púxos ‘doos uit hout van de buksboom’, zie → buksboom.
Mnd. busse; ohd. buhsa [10e eeuw] (nhd. Büchse); ofri. busse (nfri. bus, bos). Hierbij hoort ook Engels box, zie → box.
De betekenis ‘vuurroer’ verschijnt ook in de samenstelling haecbus(se) ‘vuurroer’ [MNHW]); zie ook → buks, → buskruit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bus1 [doos, blik] {busse, bos(se), bussche 1254} middelnederduits busse, oudhoogduits buhsa (hoogduits Büchse) < latijn buxus < grieks puxis [doos van het hout van de buxus] (vgl. buks2, bushel). De uitdrukking in de bus blazen [veel moeten betalen] is vermoedelijk ontstaan uit de 14e-eeuwse sotternie De Buskenblazer, het verhaal van een oude man die weer jong wil worden en daarvoor in een bus met zwart poeder moet blazen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bus 1 znw. v., mnl. bosse, busse, evenals mnd. busse, ohd. buhsa (nhd. büchse), owfri. busse (of uit nl.?), oe. box ‘bus’ < vulg. lat. buxis < gr. púxis ‘doos van buksboomhout’. — Zie: buks 2. — > ne. bush ‘metalen bus om het asgat van een wiel’ (sedert 1566; vgl. Bense 31).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bus znw., dial. (Zaansch) ook bos, mnl. bosse, busse v. “bus”. = ohd. buhsa (nhd. büchse), mnd. busse (waaruit on. byssa) v. “bus”, owfri. busse (wsch. uit ’t Ndl.) v., ags. box (m. o.? eng. box) “bus” (in verschillende speciale bett.; laat-mhd.-mnd.-mnl.-ofri. o.a. “vuurroer”; nog in buskruit). Uit vulgairlat. (speciaal in Frankrijk) buxis (waarnaast *buxida > fr. boîte “doos”) < gr. púxis “doos van púxos-hout”. Zie buks II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bus 2 v. (koker, geweer), Mnl. busse, gelijk Ohd. buhsa (Mhd. bühse, Nhd. büchse), Ags. box (Eng. box), en de Fr. afleid. boîte en bosette, uit Mlat. buxis, Gr. puxís = koker van taxushout, afgel. van púxos (z. bus 1), dan koker in ’t algemeen, roer van een vuurwapen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bös (zn.) 1. doos 2. bus; Vreugmiddelnederlands bosse <1240>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

boes, zn.: naaf. Ndl. bus ‘naaf’, Vl. bosse, Wvl. busse. 1776 de bosse van het voorwiel, Gent (LC). Hetzelfde woord als D. Büchse, Ndl. bus ‘doos’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bosse, busse, bos zn. v.: naaf. 1776 de bosse van het voorwiel, Gent (LC). Hetzelfde woord als D. Büchse, Ndl. bus ‘doos’; vgl. E. bush ‘metalen bus om het asgat van een wiel’. Zie klakkebos. Afl. verbossen, verbussen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bosse (G, ZO), zn. v.: naaf. 1776 de bosse van het voorwiel, Gent (LC). Hetzelfde woord als D. Büchse, Ndl. bus 'doos'; zie klakbosse.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bosse, busse, zn. v.: geweer, karabijn. Mnl. busse, bosse ‘vuurroer’, Vroegnnl. busse, schietbusse ‘bombarda, sclopus’. 1392 dat sij voerden de bossen vander stede toten porten, Kortrijk (OWW). Ohd. buhsa, Mhd. bühse ‘bus, vuurroer’, D. Büchse, E. box ‘doos’. De oorspr. bet. is ‘doos, bus’, volkslat. buxis < Gr. puxis ‘doos van buksboomhout’. Ndl. buks rechtstreeks < D. Büchse. De Izegemse bet. ‘pint’ (DB) herinnert nog aan de oorspr. ‘doos’. Ook de bet. ‘naaf van een wiel’ (DB) gaat daarop terug. Vgl. E. bush ‘metalen bus om het asgat van een wiel’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. bus: gouden bus (de, -sen), (i.h.b.:) 1. gouden hulsje om een tand, als versiering. - 2. gouden kroon op tand of kies. - Etym.: AN b. = o.m. huls(je) voor stevigheid i.h.a.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bus I: “doos; geweer”; Ndl. bus (Mnl. bosse/busse, dial. ook vorme met o en u); Hd. büchse, Eng. box hou verb. m. Ll. buxis en Gr. puxis, “doos uit hout v. buksboom” (v. buks II) wu. Fr. boîte, “bus, doos”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bus ‘doos’ (Latijn buxis); ‘autobus’ (Engels bus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bus (koker, geweer), van ’t Lat. buxis, oorspr. een koker van busboomhout (busboom = taxis, Gr. puxos) en wel in de geneeskunde tot het bewaren der medicijnen. Later werd elk voorwerp van dien vorm, onverschillig van welke stof, zoo genoemd: bijv. geweerloop, ook ’t geweer of ’t kanon zelf; vandaar: buskruit = poeder voor’t geweer (vgl. haakbus: een geweer ten tijde van Maurits bij het laden en afschieten op een haak of gaffel gezet).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bus ‘naaf van een wiel’ -> Deens bos ‘naaf van een wiel’; Javaans bos ‘naaf van karrenwiel’; Madoerees bos, ēbbos ‘naaf aan de as van een rijtuig’; Singalees bos-gedi ‘naaf van een wiel’.

bus ‘doos, blik, doosvormig voorwerp’ ->? Engels boss ‘kalkbak’; Engels bush ‘metalen huls, mof, manchet’; Engels † bus ‘haakbus’; Deens bøsse ‘doos, blik; homoseksuele man’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bøsse ‘doos, blik, potje, vaatje’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds buss ‘doos, blik, doosvormig voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bössa ‘spaarpot’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch bis ‘brievenbus’; Javaans bis ‘doos, blik; brievenbus’; Madoerees ēbbhis, bīs, ēbbīs ‘brievenbus’; Menadonees bes ‘doos, blik’; Petjoh bus ‘blik’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) baks ‘doos, blik’ <via Negerhollands>; Polynesisch pusa, puha ‘koffer, kast, kist, doos’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bus doos, blik 1240 [VMNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

385. In de bus blazen,

d.w.z. zich geldelijke offers moeten getroosten, geld geven, opdokken; volgens Weiland, ‘hetzij als eene opgelegde boete, hetzij als eene vrijwillige uitgaaf’; in de 17de eeuw in de beurs blazen (bij Six v. Chandelier, 627); in de beurs kakken (zie Ndl. Wdb. VII, 900) naast in de bus blazen, o.a. bij Van Effen, Spect. IV, 198 en Sewel, 152: In de bus blaazen (geld op dokken), to contribute, to club; Halma, 98: In de bus blaazen, geld opbrengen, cracher au bassin. In het Zaansch in den buul blazen (Boekenoogen, 124); in 't Geld. klinken op de bussenSchrijnen, Volkskunde, I, 162.; fri.: yn 'e bûse blieze, veel geld uitgeven; Nest. 32: Tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies. In Zuid-Nederland (Schuerm. Bijv. 287): in zijne beurs gaan schieten, betalen, zijn hemde eenen knoop geven (De Bo, 420) naast de bus blazen (in Antw. Idiot. 315), er slecht afkomen. Opmerkelijk is het, dat bij Tappius (anno 1545) reeds voorkomt in die Büchse blasenWander I, 501. in den zin van boete betalen, tegen zijn zin geld geven, zoodat ook bij ons in de bus blazen wel de oudste vorm der spreekwijze zijn zal, en de andere uitdrukkingen als variaties hiervan moeten worden beschouwd. Hiernaast einem in die Tasche blasen, ihn seines geldes u.s.w. berauben (uit Theatrum diabolorum, Frankf. 1575). In het Fransch zegt men cracher au bassin (ou le bassinet). Eene afdoende verklaring is nog niet gegeven. Vgl. Noord en Zuid XIX, 29; Mnl. Wdb. 1, 1479 en Ndl. Wdb. III, 1924, waar voor den oorsprong gedacht wordt aan de middelnederlandsche sotternie van den Buskenblaser, waar een man voor veel geld in een bus met zwart poeder blaast, in de hoop daardoor verjongd te worden.Zie deze sotternie bij Dr. P. Leendertz Jr., Mnl. Dramatische Poëzie, bl. 70-78. Vgl. het 17de-eeuwsche: in de zak, in de beurs schieten (zie Ndl. Wdb. XIV, 577).

2081. Dat sluit als eene bus,

d.w.z. dat sluit zeer goed; van eene rekening, eene redeneering enz. gezegd. In de 16de eeuw bij Marnix, Byenc. 4: Petrus Waldo richtede eene nieuwe leere aen, die effen op der Hugenose leere so wel sloot als een Busse. Zie verder Winschooten, 35 en 39: Het sluit als een Bus; dat is, het sluit soo digt als een Pot; Oudaen, H. Broederm. 54: 't Verhaal sluit als een bos; Halma, 98: Dat sluit als eene bus, het sluit heel digt, cela ferme comme une boite; Harreb. I, 104; Ndl. Wdb. III, 1926. In Vlaanderen: sluiten gelijk eene peperdoos (Schuerm. 470 a), dat in Oost-Vlaanderen beteekent gierig zijn (Bijv. 238 a); fri. it slût as in bos. Bij J. Vosmaer, Leven en wandelingen van Mr. M. Vroeg, hoofdst. XV: Woorden die op hem pasten als een deksel op een pillendoosje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal