|
burger (inwoner)M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlandsburger zn. ‘inwoner’ N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboekburger inwoner van stad, lid van een staat 1240 [Bern.] <Duits P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboekburger [inwoner van stad, lid van een staat] {borger, burger 1201-1250} formeel van middelnederlands burch [vlek, stad, burcht], dus stedeling; het woord kwam in het N.O. van Nederland op onder duitse invloed < hoogduits Bürger, oudhoogduits burgeri; het normale woord was in de Middeleeuwen poorter (vgl. burcht). J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboekburger znw. m., mnl. borgher, burgher (noordoost. taalgebied), mnd. borgere, ohd. burgari (nhd. bürger), ofri. borger, burger ‘bewoner van een stad’. Het woord is uit het hd. overgenomen en verdrong mnl. poorter. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taalburger znw., noordoost-mnl. borgher, burgher m. Afl. van borch, burch (nnl. burcht) in de bet. “stad”. = ohd. burgâri (nhd. bürger), mnd. borgere, ofri. borger, burger m.”stadbewoner, burger”. Heeft zich van ’t Hd. uit verbreid. Mnl. is poorter ’t gewone woord. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taalburgemeester, burger m., van burg in de bet. van stad. Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |
