Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

burgemeester - (hoofd van een gemeente; vogelsoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

burgemeester zn. ‘hoofd van een gemeente’
Mnl. borghmeester ‘wijkhoofd’ [1254; CG I, 56], burchmeester [1276; CG I, 331], borgermeyster [1286; CG I, 1165].
De eerste twee geattesteerde vormen lijken samenstellingen van borch ‘stad’, zie → burcht, en → meester ‘opzichter, bestuurder’; de derde vorm wijst eerder op een samenstelling met borghere ‘stadsbewoner’, zie → burger.
Mnd. borgemester, borgermester (ozw. borghamæstare, borgharamæstare, nzw. borgmästare); mhd. burgermeister (nhd. Bürgermeister); nfri. boargemaster.
Het woord komt oorspr. vooral voor in de noordelijke Nederlanden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

burgemeester [hoofd van een gemeente] {borgermeester, burgermeester 1254} van middelnederlands borch, burch [stad] of borger, burger [poorter, burger] (vgl. burcht, burger) + meester.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

burgemeester znw. m., mnl. borghermeester, nhd. bürgermeister, samenstelling van burg of burger en meester, — > fra. bourgmestre, ambtstitel in enige steden van België en Duitsland (Valkhoff 72).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

burgemeester znw. Du. en ndl., sedert de laat-mhd.-mnd.-mnl. periode. Een samenst., deels met burg deels met burger (mnl. borgher-meester, hd. bürger-meister m.). Burger en burgemeester drongen ook in de skandin. talen door.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

burgemeester, burger m., van burg in de bet. van stad.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Grote Burgemeester Larus hyperboreus1 Gunnerus2 1767. Vroeger Burge(r)meester ↑ geheten, maar sinds c.1970 (De Commissie voor de Nederlandse Avifauna 1970) is het adjectief gebruikelijk geworden, om toch vooral niet met de sterk gelijkende, maar duidelijk kleinere Kleine Burgemeester ↑ in de war te raken. Vgl. sub Mantelmeeuw.

==

1 Voor de betekenis van hyperboreus zie sub Noordse Stern (noot 1).

2 Johann Ernst Gunnerus (1718-1773), bisschop van Trondhjem, was een noors natuuronderzoeker, vnl. botanicus [Coomans de Ruiter et al. 1947 p.155].

Kleine Burgemeester Larus glaucoides B Meyer 1822. Meeuwensoort, broedt in Groenland, bij ons in de Lage Landen zeldzame wintergast (het betreft h.t.l. meestal onvolwassen vogels). Lijkt veel op zijn grotere tegenhanger de Grote Burgemeester ↑. Schlegel 1852 vermeldt de naam niet, maar Schlegel 1858 wel (“zeer zelden aan onze kust”). Fries Lytse Iiskob (letterlijk ‘kleine ijsmeeuw’).

Burgemeester (1) Oude N naam voor de Grote Burgemeester ↑. Er is ook een Kleine Burgemeester ↑. Dezelfde verhouding tussen de adjectieven vinden we bij twee andere Meeuwensoorten (te weten Grote en Kleine Mantelmeeuw) (tegenover de Kleine Kokmeeuw staat de Kokmeeuw, er is daar geen sprake van een ‘Grote Kokmeeuw’). De Grote Burgemeester is bij ons als wintergast minder zeldzaam dan de Kleine Burgemeester. De Grote Burgemeester zal daarom het eerst een N naam gekregen hebben. Uiteraard was dan in het begin het bnw. ‘grote’ overbodig, temeer daar de naam oorspr. ‘Burgemeester van Groenland’ luidde [Blok 1988] of “Groenlandsche Burgemeester” [Houttuyn 1763 p.148; Ray 1678: “The Great grey Gull ... called at Amsterdam the Burgomaster of Groenland” (Swaen 1941)]. Onder Iiskob, de friese naam, wordt uiteengezet, dat de hollandse, friese en duitse naamgevers de soort ws. vooral kenden van Walvisvaarten naar het Noordpoolgebied. Omdat de Burgemeester een grote soort is die de andere Meeuwensoorten overheerst, zou de naam daarnaar ontstaan kunnen zijn (hij is a.h.w. de baas over de Meeuwen, gelijk de burgemeester de ‘baas’ is over de burgers).
Het is opmerkelijk dat in een N manuscript uit 1631 de naam Burgemeester werd gebruikt ter aanduiding van de Dodo (2) [Van Wissen 1995 p.29]. Bij het schilderij (c.1626) van de vlaamse schilder Roelandt Savery (1576-1639) kan men zich heel goed voorstellen, dat men bij het zien van een Dodo (een niet bange, gezette vogel met opgerichte houding) aan een notabel persoon, zoals bijv. een burgemeester, dacht. Dezelfde fiere houding en de gezette lichaamsomvang merkte men op bij vogels in een geheel andere, maar wel bevaren uithoek van de aarde, en deze werden dan ter onderscheiding Burgemeesters van Groenland genoemd.
Houttuyn 1763 noemt de N naam Burgemeester sub Linnaeus’ 4e meeuw, “Larus fuscus”. Aangezien Linnaeus omschrijft “Larus albus, Dorso fusco”, en Houttuyn correct vertaalt “Meeuw, die wit is met een bruine Rug”, had deze laatste beter kunnen weten. Hij verwijst nl. naar Fridrich Martens, die de D naam Bürgermeister gebruikt voor een door hem op Groenland en op Spitsbergen aangetroffen Meeuwensoort, waarover hij in 1675 schrijft. In een N vertaling daarvan, geciteerd in WNT, p.2653, is sprake van de “Burgermeester” (als een vogel, die “... een jonge Lombe (= Dikbekzeekoet) by de lurven grijpt.” Opmerkelijk is, dat voor een andere arctische soort van Meeuw, die Martens eveneens kende en beschreef (nl. de Ivoormeeuw ↑), een qua motief soortgelijke naam bestond (nl. beide een functionaris aanduidend). Deze naam luidde: Raadsheer ↑.
Behalve dat men het N/D woord voor de ambtsdrager, de burgemeester, in verschillende andere talen heeft overgenomen, is dat ook het geval voor de N/D naam voor de Meeuwvogel: E volksnaam Burgomaster; noors Borgermester; F Goéland bourgmestre;R Бургоми́стр Burgomístr [BWP 4 p.840].
ETYMOLOGIE burgemeester (= hoofd van een gemeente): Bürgermeister ‘baas over de burgers’; D Bürger ‘burger, bewoner van een stad en/of burcht’; D Burg ‘burcht’ burg, bur(u)c *bhrgh- ‘versterkte hoogte waar men geborgen zit’ (verwant met het woord berg); vgl. E borough, burrow, en in geografische namen: -bury, -burgh (Canterbury, Edinburgh) (het woord zit ook in Bergeend).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

burgemeester ‘voorzitter van het gemeentebestuur’ -> Engels burgomaster ‘voorzitter van het gemeentebestuur in Holland en Vlaanderen’; Engels † borough-master ‘voorzitter van het gemeentebestuur, in het bijzonder in Holland, Vlaanderen en sommige delen van Ierland’; Deens borgmester ‘voorzitter van het gemeentebestuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors borgermester ‘hoofd van een gemeente (over oudere of buitenlandse omstandigheden)’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bourgmestre ‘hoofd van een gemeente in België, Zwitserland, Nederland en Duitsland’; Italiaans borgomastro ‘voorzitter van het gemeentebestuur in Nederland, Duitsland en Zwitserland’ (uit Nederlands of Duits); Pools burmistrz ‘voorzitter van het gemeentebestuur’ (uit Nederlands of Duits); Russisch burgomístr ‘voorzitter van het gemeentebestuur’; Oekraïens burgomístr ‘voorzitter van het gemeentebestuur’ ; Azeri burgomistr ‘voorzitter van het gemeentebestuur’ ; Zuid-Afrikaans-Engels burge(r)meester ‘voorzitter van het gemeentebestuur’; Javaans burgemister ‘voorzitter van het gemeentebestuur’; Amerikaans-Engels † burgomaster ‘eerste ambtsdrager in Nederlandse nederzettingen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

burgemeester hoofd van een gemeente 1254 [VMNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

384. Eens burgemeester altijd (of blijft) burgemeester.

Volgens Van Dale: ‘Wie eenmaal het burgemeestersambt bekleed heeft, behoudt in het dagelijksch leven lang den titel van burgemeester; wie eens een slechten naam heeft, behoudt dien’. De zegswijze komt in de 18de eeuw voor bij V. Alkemade, Ceremoniëel der Begraavenissen, 78 (anno 1713): Want, by voorbeeld, een stiefvader, schoon zonder kinderen en door een tweede of derde huwelijk de vriendschap schynende verzet te hebben, moet altyd en in alle gevallen, als een vader worden aangemerkt, in alle openbaare en plegtige byeenkomsten en handelingen; en zoo ook de zwagers en oomen. Want die, volgens het spreekwoord, eens Burgemeester geweest zynde, altyd Burgemeester is, dat is, voor een man van Burgemeesterlyke waardigheid moet erkent worden, zoo ook omtrent andere burgerlyke behandelingen; Brieven v. Albr. Bl. I, VI: Of nu Vader dagt, die eens steelt, is altoos een Dief; of eens Burgemeester, altoos Burgemeester; dat zou wel zyn kunnen; Harreb. I, 104 b. Vgl. het gron. eenmaal olderman, altijd olderman (Harreb. II, 133); eng. once a captain, always a captain.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut