Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buntgras - (grassoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bent 2 zn. ‘bentgras, buntgras, bewerkte hennep’
Onl. bint in de plaatsnamen Bintheim ‘Hogebeintum/Westerbeintum (Friesland)’ [ca. 819-25; Künzel 91], Benetfelda ‘Bentveld? (Noord-Holland)’ [918-48; Künzel 81]; vnnl. in bentakker ‘akker met bentgras’ [1635; WNT]; nnl. bent ‘bies, bentgras’ [1807; WNT].
Os. binut ‘bies’; ohd. binuz ‘bent’ (nhd. Binse); nfri. bjint; oe. beonet- (in plaatsnamen) (ne. bentgrass).
De herkomst van deze uitsluitend West-Germaanse plantennaam is onbekend; wrsch. is het een voor-Indo-Europees substraatwoord. Misschien bestaat er verwantschap met → bies 1.
Lit.: E. Rooth (1981) Nordseegermanische Studien II (= Filologiskt Arkiv 24), Stockholm, 22-29

EWN: bent 2 zn. 'bentgras, buntgras, bewerkte hennep'; het zn. bent (1807)
ANTEDATERING: bent 'bentgras' [1294-1300; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bent2* [grassoort] {in de plaatsnaam Ben(t)lo, nu Bentelo (Overijssel) <1188>, bent 1807} vgl. de dial. vorm bunt [bies], oudsaksisch binitin [van biezen], oudhoogduits binuz, engels bentgrass; etymologie onbekend.

buntgras* [grassoort] {1855} nevenvorm van bentgras (vgl. bent2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bent 1 znw. v. ‘bentgras, molinia’ vgl. os. binitin ‘van biezen’, ohd. binuz (nhd. binse), oe. beonet- (in pl. namen als Bentley < Beonetleah), ne. bentgrass. — De herkomst is onzeker; het is een typisch westgerm. woord en men mag daarom wel vermoeden, dat het uit een substraattaal overgenomen is. — Verwantschap met het gelijkbetekenende bies is niet aan te nemen. — Dialectische vormen zijn buntgras (Utr.), beunt (Vla.), binten (Friesl.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bent II, bijna uitsluitend in de samenst. bentgras. Zie bies.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bent 2 , in bentgras, Os. binet + Ags. beonet (Eng. bent), Ohd. binuʒ (Nhd. binse): oorspr. onbek.; niet verwant met bies; z. piont, ook boendergras en bundelgras.

bundelgras, bundgras, buntgras. o., + Eng. bentgrass: z. bent 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bimbosje zn. o.: hoger groeiende graspol. Door assimilatie ntb > mb < bintbosje. De u in buntgras of Corynephorus canescens is nl. gerond na de bilabiale b in bentgras. Onl. benet ‘bies’, Os. binitîn ‘biezen’, Ohd. binuZ, D. Binse ‘bies’, Oe. beonet ‘riet’, E. bentgrass en pln. Bentley.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

buntel pol droog gras (Heerde). Afl. bij bunt (met nevenvormen bent, beunt). ~ os. binitin ‘van biezen’. Typisch wgermaans grondwoord, vermoedelijk uit een subtraattaal.
Bosch 8, NEW 45.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

buntgras
Corynephorus canescens (L.) Beauv.

De naam Buntgras is afgeleid van Bentgras en bent zou dan ontstaan zijn uit bende in de betekenis van een bundel, een groep. Het is een mogelijke verklaring, want de halmen van dit gras zitten aan de basis in een dichte bundel bijeen en vormen zo stevige, samengepakte graszoden.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Buntgras, Corynephorus canescens
Corynephorus: is Grieks voor knotsdrager. De naald van het onderste kroonkafje is aan de top knotsvormig.
Canescens: een deel van de plant kan er wit of grijs uitzien.
Buntgras: bunt staat voor bies, de borstelige bladeren rechtvaardigen die benaming.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bent* grassoort 0918-948 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal