Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bulsterig - (gezwollen)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bulsterig bijv.(gezwollen), een afleid. van bulster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bolsterig¸ zie bulsterig.

bulsterig, bolsterig bn.: opgeblazen, gezwollen (in het gezicht). Afl. van Mnl. bolster, bulster ‘strozak’, Ohd. bolstar ‘hoofdkussen’, Mnd. bolster, bulster ‘kussen’, D. Polster ‘kussen, peluw, vulling’, Fri. bulster ‘beddenzak’, Oe. bolster ‘kussen’. Germ. *bulstria < Idg. wortel *bhel- ‘zwellen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut