Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bullebak - (boeman, barse kerel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bullebak zn. ‘boeman, barse kerel’
Vnnl. bulleback ‘duivel’ [1617; WNT], ‘boeman’ [1610-19; WNT]; nnl. bullebak ‘barse kerel’ [1733; WNT].
Het eerste lid hangt mogelijk samen met het werkwoord → bulderen. Het tweede is het achtervoegsel -bak dat ook voorkomt in bijv. etterbak, loerebak, luibak; dit bestanddeel is mogelijk identiek met → bakkes.
Mnd. bullerbäk ‘opvliegend, luidruchtig persoon’; nfri. bullebak ‘boeman, barse kerel’ [1865; WFT].
Een variant is vnnl. bulle-man [1599; Kil.].

EWN: bullebak zn. 'boeman, barse kerel' (1617)
ANTEDATERING: Fy gy bulle-back! (gericht tot de duivel) [ca. 1612; iWNT duivel]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bullebak [boeman] {1611-1620} het eerste lid is vermoedelijk een klanknabootsende vorming in de trant van bulderen, bulken, het tweede is wel het zn. bak [bak, ook boot], evenals in luibak, vgl. voor de betekenis bv. zuipschuit, een vat vol ongerechtigheden; ook de variant bulleman heeft bestaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bullebak znw. m., sedert de 17de eeuw, < nnd. bullerbäk ‘opvliegend mens’. Terwijl het 2de lid hetzelfde is als in luibak, zal het 1ste lid wel met bulderen samenhangen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bullebak znw., sedert de 17. eeuw. Vgl. ndd. bullerbäk “jähzorniger, polternder mensch” en voor ’t 2de lid vgl. luibak. Wsch. onder invloed van verschillende klankverwante woorden ontstaan, vgl. bijv. bulderen en bul I. Oudnnl. ook bulleman.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bullebak m., wellicht uit bul 1. en bak 3 met de bet. leelijk stiersgezicht; daarvan is niet te scheiden het bij Hooft voorkomende Hendrik den Engelschen bulleman, dat niet in verband kan staan met de History of John Bull, daar deze eerst van 1712 dagteekent.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bullebak s.nw.
1. Nors, onbeskofte vent. 2. Afknouer.
In bet. 1 uit Ndl. bullebak (1701), 'n samestelling van bullen 'huil soos 'n spook' en bak 'bak', waaruit bet. 1 later ontwikkel. Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. bully (1688). Eerste optekeninge in Afr. op 2 Maart 1862 (Scholtz 1965: 110) en in Patriotwoordeboek (1902).
Vgl. boelie.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bul’lebak maken (voor) (maakte, heeft gemaakt), tong uitsteken (tegen). Lucia verscheen voor het venster* en maakte bullebak voor Fonoe, zodat ik haar zou zien. Ik keek op en lachte (Dobru 1968a: 51). - Etym.: AN b. = boeman; door optreden vreesaanjagende persoon. Vgl. ook E bull-beggar (sedert 1584, nu veroud.) = boeman (Onions). Zie ook: voor*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bullebak: norse kerel. Vroeger een ander woord voor boze geest; bietebauw waarmee men kinderen bang maakte. Sedert het begin van de zeventiende eeuw.

Die zwarte bullebak, mismaakt van top tot teen… (Lukas Rotgans, Boerekermis, 1708)
Bang? Ik vrees niets en niemand en alleminst dien grooten, groven en leelijken bullebak. (C. de Kinder, De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees, 1920)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bullebak (MiddelnederDuits bullerbäck)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bullebak, duivel, booze geest, boeman. Samenstelling van den stam van een ww. bullen, dat nu niet meer voorkomt, maar wel in de 17e eeuw, met de bet. brullen, en waarvan een freq. is bulderen (uit bulleren), en een woord bak, waarvan de oorsp. en geschied. niet zeker is, maar dat waarsch. ook voorkomt in luibak. Naast bullebak komen voor de volgende ongeveer gelijkbet. woorden: bulderbast, buldergeest, bolderman, bulleman, en mnl, barlebaen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bullebak boeman 1611-1620 [WNT] <Nederduits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

383. Een bullebak,

d.w.z. een afzichtelijk spook; een stuursch, norsch mensch (eng. bull-beggar), dus hetzelfde, wat Kiliaen een bulleman of een bietebauw noemt en in het ndd. een bullerbäk is. Het woord is sedert de 17de eeuw bekend; men vindt het o.a. bij Pers, 833 a; Hooft, Brieven, 162 in den zin van spook; verder bij Tuinman I, 217, die het verklaart als bulbakhuis; Bouman, 18; Ndl. Wdb. III, 1879. De oorsprong is niet met zekerheid bekendDe Jager, Frequ. II, Bijv. 20; Franck-v. Wijk, 99.; wellicht is het samengesteld uit den stam van bullen, schreeuwen, razen, en bak, dat ook schuilt in luibak en loerebak, en dan te vergelijken met bulderbas(t) en de samenstellingen met pot, als knorrepot, rochelpot, zanikpot, zeurpot; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut