Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bulderen - (donderen, luid schreeuwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bulderen ww. ‘donderen, luid schreeuwen’
Mnl. bulderen ‘luid roepen, opscheppen’ [1475-95; MNW-P], boldren “ruyschen, drammen, talmen, onbestuyr wesen” [1477; Teuth.], bulderen [1485; MNHWS]; waarnaast het zn. bulderynghe, (mv.) bolderyngen ‘gebulder, geraas, onstuimigheid’ [1477; MNW onbestierichheit].
Wrsch. een frequentatief bij een klanknabootsend woord dat verwant is met → bel 1; zie ook → bolderkar, → holderdebolder.
Mnd. bolderen, bulderen; nhd. bullern ‘knallen, bolderen’, poltern ‘lawaai maken’; nfri. bolderje; nzw. bullra ‘herrie maken’.
balderen ww. ‘getier, geraas maken’. Vnnl. balderen ‘bulderen’ [1642; WNT]. Wrsch. een variant van bulderen, die vermoedelijk in het noorden van het Nederlandse taalgebied ontstaan is.

EWN: bulderen ww. 'donderen, luid schreeuwen'; de vorm bulderen (1485)
ANTEDATERING: soe bulderde hi met groten gherope 'toen riep hij luid met groot geschreeuw' [1477; Delftse bijbel, Gen 27:34]
EWN: ♦ balderen ww. 'getier, geraas maken' (1642)
ANTEDATERING: eyselick balderen vanden bussen 'verschrikkelijk bulderen van de vuurmonden' [1604; Giovio, 144r]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bulderen* [dreunend geluid geven] {ca. 1485} klanknabootsend gevormd naast bolderen en balderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bulderen ww., oudnl. bolderen (Theutonista), naast balderen, vgl. mnd. bulderen, balderen, laat-mhd. buldern, nhd. poltern, de. buldre, zw. bullra naast de. noorw. dial. baldra, zw. dial. ballra. Evenals balken een klanknabootsende vorming.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bulderen ww. Teuth. bold(e)ren “strepere”. Met ablaut oudnnl., nog archaïstisch balderen. Vgl. nhd. poltern, laat-mhd. buldern, mnd. bulderen, balderen, (ofri. bulder-slek “luide slag”), de. buldre, zw. bullra, zw. dial. ballra, noorw. dial. en de. baldra. Klankaanduidende woorden van den wortel bhel- (zie balken), waarmee zich wellicht afll. van bheldh- “slaan” (vgl. ier. buille “slag”, lit. beldù beldė́ti “kloppen”) vermengd hebben. Deze laatste basis zal oorspronkelijk wel onomatopoëtisch zijn en afgeleid van ’t zelfde bhel-; wellicht is zij niet eens oeridg. Vgl. nog russ. boltát’ “schudden, kloppen, leuteren”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bulderen ono.w., een ablaut van balderen (z.d.w.).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bulderen* dreunend geluid geven 1485 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut