Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buks - (geweer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buks zn. ‘schiettuig’
Nnl. eerst als bus, of werp- of schietgeweer; bus, geschut [1704; HvH], daarna als buks [1856; WNT afschieten].
In oorsprong is buks hetzelfde woord als → bus 1. De jongere vorm, buks, is ontleend aan Duits Büchse ‘jachtgeweer’, oorspr. ‘bus, afsluitbare metalen cilinder’ en vandaar ‘geweerloop’.

EWN: buks zn. 'schiettuig' (1704)
ANTEDATERING: mnl. geschot van ... bussen 'munitie voor vuurroeren' [1388; iMNW cnoopiser]
Later: eene menigte engelsche buksen en snaphanen [1811; Courier d'Amsterdam (KB) 9/3]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buks1 [geweer] {kogelbuks 1772, buks 1865} < hoogduits Büchse, hetzelfde woord als bus1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buks 1 znw. v., in de 19de eeuw < hd. büchse, hetzelfde woord als bus 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buks I (geweer). Nnl. ontl. uit hd. büchse v., dat = ndl. bus is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buks 2 v. (geweer), uit Hgd. büchse; de Ndl. vorm is bus: z. bus 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1buks s.nw.
Soort altydgroen boom of struik.
Uit Ndl. buks (Mnl. bus, bos).
Ndl. buks in 16de of 17de eeu uit Nieuhoogduits Buchs.

2buks s.nw.
1. Klein geweer met 'n kort loop. 2. (veral in die verkleinw. buksie) Kort persoon.
In bet. 1 uit Ndl. buks. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. In lg. bet. ook o.a. gebruik in bruin buksie 'bruinbroodjie, so breed soos 'n standaardbrood, maar veel korter' en buksie 'klein bierbotteltjie, veel korter en kleiner in deursnee as standaardbierbottel', waarvan die Eng. ekwivalent, nl. dumpy, in 1966 in S.A.Eng. opgeteken is (Silva 1996).
Ndl. buks is etimologies dieselfde woord as bus, lg. in die Middeleeue die naam van 'n geskut, in die 16de en 17de eeu 'n draagbare wapen of geweer, nog later die bepaalde naam vir 'n klein vuurwapen met 'n kort loop. In die 19de eeu gebruik die Ndl. leër hierdie geweer, meestal genoem bus en soms buks (Potgieter 1885) (WNT), met lg. uit D. Büchse. Samestellings, bv. bukskogel, reeds in 1862 opgeteken. Tans in Ndl. gewoonlik buks.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

buks I: 1. “kort en kleinerige pers.”; 2. “kort geweer; windgeweer” (windbuks in albei bet.); Ndl. buks/bus uit Hd. büchse, wat blb. verb. hou m. bus I, “doos”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

buks (Duits Büchse)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buks ‘kort geweer’ -> Deens bøsse ‘kort geweer’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bössa ‘kort geweer’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans buwis ‘kort geweer’; Malagasi bàsi ‘kort geweer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buks kort geweer 1772 [Chr. de Beet, Eerste Bonni-oorlog 137] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut