Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bukken - (vooroverbuigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bukken ww. ‘vooroverbuigen’
Mnl. bocken ‘vooroverbuigen’ [1240; Bern.], bockende (teg.deelw.) ‘voorovergebogen’ [1240; Bern.], buckede (pret.) ‘bukte’ [1300-25; MNW-R].
Een intensiefvorming bij de stam van het werkwoord → buigen.
Mnd. bucken; mhd. bucken, bücken [ca. 1200] (nhd. bücken); ofri. buckia (nfri. bûke); nzw. bocka ‘buigen’ (< mnd. of mnl.); < pgm. *bukkan-, *bukkjan- ‘bukken’, een intensiefvorming bij het ww. pgm. *beugan- ‘buigen’, dat met nultrap van de stam en intensivering van de velaar resulteert in *bukk-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bukken* [vooroverbuigen] {bucken 1445} intensief van buigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bukken ww., mnl. boeken, bucken, mnd. bucken, mhd. bucken, bücken, intensief van buigen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bukken ww., mnl. bocken, bucken “bukken, zich buigen”. = mhd. bucken, bücken (nhd. bücken), mnd. bucken “id.”. intensivum bij buigen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bukken o.w., Mnl. bucken + Mhd. bücken (Nhd. id.) met kk = gn intensief van buigen; vergel. wikken en wegen. Een ander bukken = stooten, is denom. van bok 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bókke (ziech) (ww. wdkd.) zich bukken; Vreugmiddelnederlands bocken <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bukken is een intensief van buigen (vgl. nikken en nijgen; hikken en hijgen). Ook buik zou er mee in verband staan als ’t gebogen lichaamsdeel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bukken ‘vooroverbuigen’ -> Deens bukke ‘vooroverbuigen; verbuigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bukke ‘bukken, buigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands boek, bők ‘vooroverbuigen’; Berbice-Nederlands boko ‘vooroverbuigen’; Papiaments bek, bùk (ouder: buk) ‘vooroverbuigen’; Sranantongo bukun(dun), bukundu ‘vooroverbuigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bukken* vooroverbuigen 1445 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut