Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buizerd - (roofvogel (Buteo buteo))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buizerd zn. ‘roofvogel (Buteo buteo)’
Vnnl. buzart, buysard [1567; Nomenclator].
Ontleend aan Middelfrans busard ‘buizerd’ < Oudfrans buisart, busart [12e eeuw], vormen die, met ander achtervoegsel, stonden naast Oudfrans buson (Nieuwfrans buse ‘buizerd’) < Latijn būteō ‘buizerd’, waarvan de verdere herkomst onbekend is.
De oorspr. Germaanse benaming van het dier was *wīwan-. Daaruit kwamen de vormen mnl. wie, wuwe en nnl. wouw voort, zie → wouw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buizerd [roofvogel] {buzart, buysard 1567} < oudfrans busard, dat met verandering van de uitgang een ouder buison verving; dit van latijn buteonem, 4e nv. van buteo [buizerd], van butire [schreeuwen]; de vogel is dus naar zijn geluid genoemd → butoor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buizerd znw. m., sedert Kiliaen < ofra. busard < lat. buteo.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buizerd znw., sedert Kil. Evenals nhd. bussard m., eng. buzzard uit ofr. busard, van buse, lat. būteo “buizerd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buizerd m., gelijk Hgd. buszhart en Eng. buzzard, uit Fr. busard, afgel. van buse, Mlat. busio, klass. Lat. buteo = soort van valk.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Buizerd Buteo buteo (Linnaeus: Falco) 1758. Bekende, vooral van Muizen levende Roofvogel. Een N volksnaam is dan ook Muizerd ↑. De Buizerd maakt vooral tijdens de vlucht een luid miauwend geluid, waarin geen [oe]-klank zit (zie sub etymologie).
ETYMOLOGIE N Buizerd (Schlegel 1852) Buizert (Houttuyn 1762) Buysaerd, Busaerd, Bushard, Buysinck (VK c.1618), Busart, Buzart, Buysard (Junius 1567 [VT]) Busard (thans = Kiekendief) (12e eeuw) bu(i)son buteonem, vierde naamval van Lat Buteo ‘Buizerd, althans een Roofvogel, bij Plinius’ (1e eeuw n.Chr.) [Coomans de Ruiter et al. 1947 p.64,74: Buteo niet te verwarren met laatLat Butio ‘Roerdomp’, waarvan afgeleid het ww. butire ‘(boe) roepen, schreeuwen)’1; vDE 1993 integendeel voert het ww. butire als ten grondslag liggend aan Buteo aan, maar gezien de verschillende ouderdom van Buteo en Butio (= laatLatijn!) lijkt dit niet correct; daarmee wordt tevens in kwestie gesteld of Buteo wel klanknabootsend is, mede gezien het ontbreken van een [oe]-klank in de Buizerdroep!]
Ook E Buzzard (zo gespeld sedert 1616) busard (c.1300) busard (12e eeuw) buson buison buteonem buteo [Lockwood 1993]. In de VK worden “busharde” en “bussarde” als de E namen opgevoerd (c.1618), maar mogelijk zijn deze namen fout gespeld. D ‘bußhart’ in de VK is mogelijk wel correct gespeld.
De huidige F naam voor de Buizerd is: Buse variable. Ook Buse is ws. ontstaan uit mf buson etc. De invloed van het F heeft niet tot in het fries en de scandinavische talen gereikt. Wel tot in het D Bussard (Bushard, Bussaar, Busshart (16e eeuw)) en D Bussant (1520) busant, waar het ohd musari, musaro (letterlijk: ‘muizenarend’) verdrong [Suolahti 1909; Mackensen 1985; Wilms 961226,6]. Mogelijk is ook de N volksnaam Muizerd ↑ een voortzetting van de ohd naam.
In het N heeft soms verscherping van de aanvangs-b plaatsgevonden. Zie daarvoor Elzepuist (Puddock en Puttock voor de Buizerd (en de Rode Wouw) (in Essex en Sussex), waar de herkomst van de p via oudengels putian (>E to put) ook uiteindelijk op een b is terug te voeren (bouter (1080)) ‘(terug)dringen, duwen’ *botan ‘slaan’ (vgl. helgolandfries Bottühl) [Lockwood 1993; Weekley 1967 sub butt5 en put].

==

1 “Laat-Latijn kent voor Roerdomp het woord butio met daarvan afgeleid het ww. butīre: duidelijk klanknabootsend (zie carmen de filomela: Anthologia Latina, 11e eeuw).” [Coomans et al. 1947 p.74 voetnoot]

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

BUIZERDButeo buteo
Duits Mäusebussard
Engels Buzzard
Frans Buse variable
Fries Mûzefalk
Betekenis wetenschappelijke naam: is onbekend. Men kent alleen de Latijnse vogelnaam Buteo, een valkensoort. Sommigen nemen aan dat bût een klanknabootsing is geweest van de schelle kreet van de vogel. Anderen vermoeden de herkomst bij het Syrische buz dat verscheuren betekent. Uit Buteo is de Oudfranse naam Buisant ontstaan en later het Franse Buse. De Buizerd wordt ook kortweg Buis (ZH, Zl) genoemd. In Vlaanderen noemt men hem wel Busse. Dit is tevens de benaming voor een poes, want aldus heeft men de miauwende roep van de vogel willen verwoorden. In het Oudhoogduits heette de vogel Musaro = muizenarend. Hieruit is in ons land de volksnaam Muizerd ontstaan, derhalve een ‘arend’ die muizen vangt. Daarnaast zien we de Friese naam Mûzefalk, elders Muizenvalk (Lb), Muizebuizerd, Mûzebiter (Fr) en Mûzefanger (Fr). De Duitse en Nederlandse namen Busard resp. Buizaard zijn onder invloed van het Frans ontstaan: De M werd in een B veranderd. Daarna zijn de huidige namen vastgesteld. Volgens A.E. Brehm (‘Het leven der dieren’) echter, is Buizerd een samenstelling van Buse = kat en Aar = arend en dus Kat-arend. De naam Buiskreie (Ach) bevat de combinatie Buizerd-Kraai, hetgeen op overeenkomsten in grootte en vliegbeeld doelt. Namen die op z’n relatief grote formaat wijzen zijn Grote Klemmer (Ach), Grote Stootvogel (Lb) en Grote Valk (Lb). Blotserd (Lb) is afgeleid van blutsen of deuken, waarmee het stoten op de prooi is weergegeven. Vergelijkbaar hiermee zijn Stootvoggel (Ach), Stoeëtkop (Wee) en Stekvogel (OZV). Op het platteland griste de Buizerd soms een kip van de grond en noemden de boeren hem Hoendervalk (Dr), Kiepevalke (Dr), Hanekoop, Haneschop (Dr) en Hoaneschrobber (Gr). Een schrobber was een stroper die met z’n schrobnet patrijzen ving. Als Klemmerd (Twe), Klamper (NB), Duivenklamper en Duivenpakker (OZV) houdt de Buizerd z’n prooi vast. Overigens jaagt hij niet speciaal achter een snelle duif aan en zal hij die eerder als aas eten. De namen Cobi (Zl), Kobie (Zl), Koop en Kobeken (Goe, Sco) kunnen in verband staan met de oude Franse woorden cob(b)ir = verpletteren en cobe = coup = slag of stoot. Aldus een ‘verpletteraar’. Maar wij zijn daar niet zeker van en sluiten verband met het Vlaamse kobbe (= 1: kuif, 2: bolle verhoging) niet uit, in welk geval op de kop van de vogel wordt gedoeld die dicht op de romp zit. Ook kan het Franse woord kobez hier van belang zijn. Dit is aan het Slavisch ontleend en duidt op de leikleurige bovenkant van de man-Roodpootvalk. Tenslotte nog het Zwitserse Köbi, in het Duits Jakob, waarmee een jonge, wat lompe, knecht wordt bedoeld. Voorts bestaat er nog de opvatting dat het bij de Buizerd zou gaan om de persoonsnaam Kobus of Jacobus, die de betekenis heeft van ‘God beschermt’ en die de uitstraling van de Buizerd weergeeft wanneer hij met uitgespreide vleugels rondzweeft. Ook kiekendieven, de Zeearend en de Meerkoet zijn Kobie genoemd. De bekende zweefvlucht, het hoog in de lucht rondcirkelen, bezorgde de vogel de namen Glee (Dr, Fr) – zie Sperwer en Rode Wouw – en Kringvalk (evenals de Havik). In Vlaanderen is hij een Zonnedraaier, een Plot en ook een Domper. Een oude naam is Bra(u)wier (OZV), dat is ‘moerasvorkstaart’, maar deze naam heeft meer op de kiekendieven betrekking. Zie ook bij de Zwarte Wouw. Vaak zit de Buizerd in het land op een paal uit te kijken of er iets van zijn gading is: Paalzitter (Ens) dus en, mede wegens z’n postuur, Stînpuist (ONB).

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

buizerd (Oudfrans busard)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buizerd roofvogel 1567 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut