Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buitelen - (tuimelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buitelen ww. ‘tuimelen’
Vnnl. buytelen ‘tuimelen, springen’ [1612; WNT voortbrengen], beytelen [1617; WNT], beutelen [1618; WNT].
De herkomst is onzeker. Misschien een frequentatief bij een ontlening aan Frans buter, onder andere ‘aanstoten, struikelen’ [16e eeuw; Rey], een afleiding van but ‘doel’, zie → buut.
Buitelen is een van de weinige woorden waarin de -ui- van oudsher een tweeklank is geweest (alle overige ui's zijn gediftongeerde lange ū's). Hieronder vallen in elk geval de woorden die eindigen op -ui (bijv.bui, → lui). De klank komt ook voor bij enkele leenwoorden (bijv.fruit, → fluit, → luifel, → wambuis). Deze woorden zijn vooral herkenbaar aan de variatie in spelling (oi, oei, eui, ei, etc.) tot in de 17e eeuw. In de taalkundige literatuur (Schönfeld 1970, par 75; Van Bree 1987, 126-127) wordt deze klank ook wel ui2 genoemd.

EWN: buitelen ww. 'tuimelen' (1612)
ANTEDATERING: eerst de afleiding beyteler, buyteler 'buitelaar' [1599; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buitelen [tuimelen] {beutelen 1612} mogelijk < frans (cul)buter, van cul [achterste] + buter [stoten, struikelen], uit het germ., vgl. boten [stoten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buitelen ww., sedert vroeg-nnl. met bijvorm beytelen (17de eeuw).

Daar woorden met deze ui2 vaak uit het frans overgenomen zijn, is een afleiding uit fra. culbuter ‘tuimelen’ niet geheel af te wijzen, vooral omdat daarnaast ofra. buter ‘tegen iets stoten’ voorkomt, dat sedert de 15de eeuw bekend is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buitelen ww., sedert ’t vroeg-Nnl. 17.-eenwsche bijvorm beytelen. Oorsprong onzeker. Ontl. uit fr. (cul)buter “tuimelen” is onwsch., evenzoo — wegens ’t late voorkomen — ablautverwantschap met mnl. bôten “slaan” (zie bot II).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

buitelen, heeft ui2, als spuiten: zie ald. Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buitelen ono.w., eens met Fr. buter in culbuter = vooroverwerpen met het achterste naar boven. Buter = bouter (z. bot 2).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buitelen ‘tuimelen’ -> Duits dialect böideln ‘tuimelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buitelen tuimelen 1612 [WNT voortbrengen] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut