Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buik - (lichaamsdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buik zn. ‘lichaamsdeel’
Onl. in de samenstelling uuasbugo, uuasbuc(h)o ‘(verminkte) romp in het gras’ [8e eeuw; LS XLI, 11], buke (datief ev.) ‘buik’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. buc ‘buik, moederschoot’ [1240; Bern.], in de samenstelling bibuc ‘bijenkorf’ [1240; Bern.], an den buke ‘in de buik’ [1250; CG II, Gen.rec.], ook gespeld buuc, buyc.
Er zijn geen verwanten buiten het Germaans. Sommigen zoeken verband met de vormen die met → buigen samenhangen. Buik zou dan ‘het gebogene, het gewelfde’ betekenen, wat voor een lichaamsdeel wel weinig specifiek is. Bovendien zijn er formele bezwaren: buigen heeft pgm. -g-. Mede gezien het betekenisveld ‘lichaamsdeel’ moet dit een substraatwoord zijn.
Mnd. buk ‘buik, lichaam, romp’; ohd. būh [ca. 1000] (nhd. Bauch); ofri. būk (nfri. bûk); oe. būc; on. búkr (nzw. buk ‘buik’); < pgm. *buk-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buik* [middendeel van lichaam] {oudnederlands būk 901-1000, middelnederlands buuc, buke [buik, maag, romp, ronding]} oudfries būk, oudhoogduits būh, oudengels būc, oudnoors būkr; directe verwanten buiten het germ. zijn niet gevonden; mogelijk is de grondbetekenis ‘ronding’ en dan is er verwantschap met buigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buik znw. m., mnl. buuc m. ‘romp, buik’, onfrank. būk m. ‘uterus’, mnd. būk, ohd. būh (nhd. bauch), oe. būc ‘buik, romp’, on. būkr m. ‘romp, lichaam’.

Osthoff BB 29, 1905, 255 wil oe. būc ‘emmer’ (ne. bucket) vergelijken. Holthausen, Altn. etym. Wörterb. 29 vergelijkt lett. baugas ‘ingewanden’, maar daarmee kunnen wij niet verder komen. IEW 152 neemt het woord terecht niet op onder de idg. wt. *bheug ‘buigen’, wat Jóhannesson, Isl. Etym. Wörterb. 607 wel doet. Men kan ook denken aan een afleiding van de wortel *bheu ‘opzwellen’ en dan kan het duiden op het (na overdadig eten?) gezwollen of ook rond en gewelfd deel van het lichaam (zie: buidel). — Tenslotte is de omstandigheid, dat dit woord uitsluitend germaans is, misschien wel een aanwijzing voor herkomst uit een substraattaal. — Een taalkaart geeft J. Daan, Taaltuin 9, 1940-1, 251-256 waaruit blijkt dat de vorm boek voorkomt in Drente, N. en O. Overijsel en buuk in midden-Gelderl. Limburg en West-Vla.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buik znw., mnl. buuc m. “romp, buik” (ook overdracht.). = onfr. bûk m. “uterus”, ohd. bûh (nhd. bauch) m. “buik”, mnd. ofri. bûk, ags. bûc m. “buik, romp”, on. bûkr m. “romp, lichaam”. Oorsprong onzeker. Eer naar den gewelfden vorm genoemd en van idg. bhū̆g- (zie bij buigen) dan = “spijsopnemer” bij oi. bhunákti, bhun͂jati “hij gebruikt, geniet, eet”. De eerste hypothese staat ons ook toe voor “buik” van een oudere bet. “vat” uit te gaan; vgl. ags. bûc m. “flesch, kan”; echter zullen dgl. bett., voorzoover ze in allerlei jongere germ. talen voorkomen, wel secundair zijn. Ook kan men voor buik van een basis bhū̆-g- “zwellen” uitgaan (zie buidel), waarvan ook gr. phúskē “maag, dikke darm” zou kunnen komen (*phúgskē; zie echter boos). Uit ’t Germ. ofr. buc “bijenkorf” (vgl. mnl. buuc “id.”) e. a. rom. woorden. Kil. “beuck. vetus. j. buyck. Venter, alvus” heeft eer secundaire (dial.?) eu dan dat ’t een oude ablautvorm is; vgl. beuk II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buik m., Mnl. buuc, Onfia. bûk + Ohd. bûh (Mhd. bûch, Nhd. bauch), Ags. búc, Ofri. búk, On. búkr (Zw. buk De. bug): wellicht van den wortel van buigen; werd in ’t Rom. overgenomen: Fr. buc = bijenkorf, Sp. buque = scheepsbuik, It. buca = holte; ook Fr. trébucher.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-buik Onderdeel van vogelnamen als Roodbuikwaterspreeuw, Witbuikrotgans, Witbuikzandhoen, Zwartbuikzandhoen.
ETYMOLOGIE N buik buke, buuc būk; fries bûk būk; veluws buuk; twents/drents boek; mnd būk; D Bauch būch būh; E (dial.) bowk būc ‘buik, romp’; ijslands búkur, noors/zweeds buk, deens bug (deens Gulbug ‘Spotvogel’) búkr ‘buik, lichaam’.
Indien het (uitsluitend germ) woord bij idg *bheu ‘opzwellen’ past, is het verwant met N buidel (zie sub Buidelmees) en N bos (waarvoor zie sub Bosgors).

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

buik. Het WNT kent als vloek bij Bacchus’ buik!, maar uitsluitend uit een zestiende-eeuws toneelstuk. Het blasfemische zit hem in het zweren ‘bij de buik van de god van de wijn, Bacchus’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

boek (zn.) buik; Aajdnederlands buke <901-1000>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

buikdans s.nw.
Erotiese Oosterse dans.
Uit buik en dans, as leenvertaling van Eng. belly dance (1899), of uit Ndl. buikdans.
Eng. belly dance is 'n samestelling van belly 'buik, maag' en dance 'dans', so genoem omdat die buik en die heupe ritmies tydens die dans beweeg word.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

buik: buik hebben (had, heeft gehad), zwanger zijn. Zijn vrouw heeft buik (BN 120: 60; 1980). - Etym.: S ‘abi bere’ (abi = hebben; bere = buik).
— : mijn buik is vol, ik heb genoeg gegeten, ik ben verzadigd. Zie BN 120: 60; 1980. - Syn. ik heb mijn bekomst*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buik ‘middendeel van lichaam; iets in de vorm daarvan’ -> Frans buire ‘soort kruik’ Frankisch; Russisch † byk ‘de bolvormige gedaante van een zeil’; Negerhollands buk, big, bik ‘middendeel van lichaam’; Skepi-Nederlands buk ‘middendeel van lichaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buik* middendeel van lichaam 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

788. Twee handen op éen buik zijn,

d.w.z. het in alles éens zijn, vooral in het kwade; éen lijn trekken; ‘met de twee handen zijn ongetwijfeld de beide met elkaar overeenkomende, een stel -, een paar vormende handen van één en denzelfden persoon bedoeld’.Ndl. Wdb. V, 1755; III, 1737. Zie o.a. Kmz. 359; Nest. 34: En dan spele ze (maintenées) nog twee hande op één buik met d'r kruijenier. Te vergelijken hiermede zijn: zij liggen onder éen laken (o.a. De Brune, Bank. 18); twee hoofden onder éenen kaproen (fr. deux têtes dans un bonnetGoedthals, 36: Twee hoofden in eenen caproen; vgl. ook Plantijn; Breughel no. 26; De Oock1, 143 en Volkskunde XI, 251.; eng. two faces under one hood); twee dieven in éen kerk; twee schoenlappers in éen pothuis; twee zielen in éen zak; twee kramers in éen winkel (Joos, 78); twee luizen op éenen kam (Schuerm. 354 b); zij schijten in éénen pot (De Bo, 993), of alle twee door éen gat (18de eeuw; Waasch Idiot. 577); zij pissen of kakken allen in éénen pot (Harreb. II, 198; Ndl. Wdb. VII, 1549); zij liggen, slapen of steken onder éen deken (17de eeuw; zie ook P.K. 149; Nkr. VII, 9 Aug. p. 2; Ndl. Wdb. VIII, 2165; hd. mit jem. unter einer Decke stecken); zij kruipen onder éen deken (De Arbeid, 6 Maart 1915, p. 2 k. 1); zij spelen onder éen hoedje Arbeid, 24 Mei 1914, p. 1 k. 4; De Tijd, 7 April 1914, p. 5 k. 1); zij liggen onder één hoedje (in Kunstl. II, 166); zij blazen in éen gat (hd. in ein Horn blasen); fri.: hja stekke de kop yn ien sek (zie ook Draaijer, 45); twee billen in éen broek (fr. deux culs dans une chemise), dat voorkomt bij De Decker I, 341 en De Brune, 345: ‘het zijn twee billen in éen broeck; het zijn twee handen op een buyck’; twee hoofden onder éen deken enz. Zie Sewel, 149; Harreb. I, 102 a; fri. hja skite op ien pot, skûlje ûnder ien hoedsje, under ien tekken.

1507. Met het mes in den buik (blijven) zitten,

d.w.z. in pijnlijken toestand gelaten worden, in zorg en angst blijven; in het fri. mei 't mês yn 't liif sitte. Zie Tuinman II, 98: Hy houd hem 't yzer in den buik. Voor yzer word ook wel gezegt mes. 't Is hetzelve. Dit spreekwoord drukt uit, dat men yemand niet af helpt van eenige zwaarigheid, of ongelegentheid, maar in dien staat laat blyven, op dat hy altoos in ymands magt zy. Men zegt dus Hy heeft het harpoen in 't lyf. Haeret lateri lethalis arundo’. Misschien moet men met Laurillard, 36 denken aan het bijbelsche verhaal, dat Ehud zijn zwaard, dat twee scherpten had, den Moabietischen koning Eglon in den buik stak en het niet terugtrok (Richteren III, 16-22); Harrebomée en Van Eyk zoeken den oorsprong in de Japansche straf van zich den buik open te snijden (Taalgids III, 55-57). Liever zou ik in het algemeen denken aan een moord, waarbij men het slachtoffer met het mes in den buik laat liggen. Vgl. Joos, 71: Hij zit met den haak in de keel, d.i. hij zit bang, in een spijtigen toestand.

1683. Zijn oogen zijn grooter dan zijn maag (of dan zijn buik)

d.w.z. hij is niet bij machte zooveel te eten als hij dacht; hij neemt meer eten op zijn bord dan hij opkan, hij heeft een groot oog gehad. Zijn ogen zijn groter dan zijn buikAlleen dit laatste kent men thans in Zuid-Nederland en in Limburg (Breuls, 80).; vgl. fri. in great each hawwe, veel willen hebben. Vgl. Campen, 16: die oghen syn wyder dan den buyck; V.d. Venne, 98: het Oog is grooter als den Buyck; De Brune, 495: de oogh ziet verder als de buyck; Tuinman I, 74; Harreb. I, 102 a; Villiers, 91; Schuermans, 429 a; Antw. Idiot. 887; Waasch Idiot. 149 a; Joos, 81; Ndl. Wdb. X, 2258; Taalgids V, 173 en vgl. het fri.: it each is greater as 't liif ('t hert, de mage); fr. avoir les yeux plus grands que la panse; avoir plus grands yeux que grand' panse; il a les yeux plus grands que le ventre; hd. seine Augen sind gröszer als sein Magen (oder der Bauch); nd. de Ogen sünd grötter as de Mund (Eckart, 23); eng. his eyes are bigger than his stomach.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut