Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buigen - (krom maken of worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buigen ww. ‘krom maken of worden’
Mnl. bjegen ‘buigen’ [1240; Bern.], bughen ‘buigen’ [1285; CG II, Rijmb.].
Mnd. bugen; nfri. bûg(j)e; oe. būgen (ne. bow); ozw. bugha (nzw. buga); < pgm. *būgan-. Daarnaast met een andere stamklinker: ohd. biogan [8e eeuw] (nhd. biegen ‘buigen’); on. bjúga (nzw. buga ‘buigen’); got. biugan; < pgm. *beugan- ‘buigen’. Hierbij hoort ook bovengenoemde Middelnederlandse, maar zeldzame vorm met -ie-. Het waarom achter deze klinkerwissel (ook in → sluiten naast Duits schließen) is omstreden. Uit een causatief pgm. *baugjan- ‘doen buigen’ zijn o.a. onl. *boigen (in de preteritumvorm boigedon ‘zij deden buigen’ [10e eeuw; W.Ps.], nhd. beugen, nzw. böja ‘buigen’ ontstaan.
De pie. wortel is *bheugh- (IEW 152). Wellicht verwant met Sanskrit bhujati ‘hij buigt’, hoewel deze vorm op pie. *bheug- wijst.
Met buigen zijn ook enkele andere Nederlandse woorden verwant. Uit de nultrap van de werkwoordstam is → boog ontstaan; ook → bukken is op de nultrap terug te voeren. Oude afleidingen met achtervoegsels zijn → bocht 1, → beugel, → bochel.
buiging zn. ‘(taalkunde) verbuiging en vervoeging’. Vnnl. buighing ‘flexie’ [1584; Twe-spraack]. Afleiding met → -ing van het werkwoord buigen. Vrijwel alle grammatici nadien gebruikten en gebruiken deze term die omschreven kan worden als ‘flexie, declinatie, conjugatie; de vormverandering van woorden ten gevolge van de functie die ze in de zin vervullen’. Onder buiging vallen zowel vervoeging als verbuiging. Zie ook → flecteren.
Lit.: Van Bree 1987, 210-211; Ruijsendaal 1989

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buigen* [krommen] {oudnederlands bougedon [ze hebben gebogen] 901-1000, middelnederlands bugen} middelnederduits bugen, oudhoogduits biogan, oudengels bugan, gotisch biugan; buiten het germ. latijn fugere, grieks pheugein [vluchten], litouws būgti [bang worden], oudindisch bhujati [hij buigt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buigen ww., mnl. būghen, mnd. būgen, oe. būgan. Daarnaast ablautend: ohd. biogan (nhd. biegen), got. biugan. Daarvan een causatief: *baugjan: mnl. bōghen, onfrank. boigan (voor bougan?), os. bōgian, ohd. bougen, ofri. bēia, oe. bīegan, on. beygja. — oi. bhujati ‘buigen, wegschuiven’, bhugna- ‘gebogen’ (zie: bok), iers fid-bocc ‘houten boog’ (IEW 152). — Zie: beugel, bochel, bocht 1, boog, bukken.

Deze idg. wt. *bheugh : bheug staat naast *bheuk, zie nhd. bühel, dat onder bochel besproken is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buigen ww., mnl. bûghen. = mnd. bûgen (os. komt de praesensstam niet voor), ags. bûgan (eng. to bow) “buigen”. Sterk ww. Met andere praesensvocaal ohd. biogan (nhd. biegen), got. biugan “id.” (vgl. sluiten). Het causativum mnl. bôghen = onfr. boigan (lees bougan?), ohd. bougen, (nhd. beugen) os. bôgian, ofri. beia, ags. bîegan, on. beygja “buigen” (trans.), bestaat nog ndl. dial.: Antw. bôgen “buigen” (ook intrans., evenals in ’t Mnl.). Ohd. buhil (zie bochel) wijst op een idg. basis bheuq- en bheuḱ- (welker combinatie met lit. bukùs “stomp” al te onzeker is); hiernaast bheug- in ier. bocc “tener” (nier. bog; > *bhug-no-), oi. bhujáti “hij buigt, schuift weg” (ook gr. ptússō “ik vouw”?), waarmee de wortel van lat. fugio “ik vlucht” enz. (zie bok I) identisch is. Ook alb. buts “week”, arm. but' “stomp” hierbij (*bhug-to- of *bhuq-to-)? Een derde basis met gh is voor een deel der vormen, o.a. voor de germ. ʒ-vormen mogelijk, maar voor geen vorm noodig. Vgl. beugel, bochel, bocht I, boog, bukken. Opvallend is de balt.-slav. basis gū̆b-, in bet. = idg. bhū̆g-: letl. gubt “bukken”, obg. gŭnąti, prě-gybati “buigen”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] buigen. Klruss. bgati “gnuť”, russ. dial. obygâť “ogibať” [NB. Pawlowskij vertaalt “warm kleiden, ein-, umhüllen”] kunnen van een idg. basis bhug- of bhugh- “buigen” komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buigen o.w., Mnl. bughen + Ohd. biogan (Nhd. biegen), Ags. búgan (Eng. to bow), On. v.d. boginn (Zw. buga, De. bue), Go. biugan + Skr. wrt. bhuj = buigen, Gr. pheúgein, Lat. fugere = vluchten, Slav. wrt. gub, Lett. gubt (metath.), Lit. baugus = vreesachtig: Idg. wrt. bheṷg, wrt. bheṷgh = wijken, niet pal staan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buigen ‘krommen’ ->? Schots † bowl ‘krommen, draaien’; Zweeds buga ‘(zich) krommen als begroeting’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bieg ‘krommen, welven’; Sranantongo boigi ‘krommen; buiging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buigen* krommen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

379. 't Moet buigen of barsten (of breken),

d.i. het moet geschieden, hoe dan ook; een in de 17de eeuw voorkomende zegswijze, die wordt aangetroffen bij P.C. HooftZie Oudemans, Taalk. Wdb. 20.; De Brune, Bank. II, 164: Harde koppen zetten 't over al in roere; 't moet al buyghen, of bersten, daer zy komen; O. Kant. 41: Spreek uit je mont. Het moet nu barsten, of buigen. Zie verder Tuinman I, 149: 't Moet buigen of bersten, zo zegt men mede van iets, waar aan het uiterste gewaagt word; de gelykenis is genomen van een styven stok, of iets diergelijks; Sewel, 148: Het moet buigen of bersten (het moet er heel op of heel onder), it must bend or crack; Halma, 96: Al is dat kind nog zoo boos, evenwel zal het moeten buigen of barsten (toegeven); Harreb. III, 4 b; Ndl. Wdb.. II, 1043; III, 1724; fri.: 't moat bûge of barste; in het Waasch Idiot. 149 a: Ge moet buigen of borsten, 't is te moeten; zie ook Teirl. 221; syn. in Zuidndl. dial. springen of banen. Vgl. het verouderde de. bugne eller briste; nd. dat schuil bûgen o'r brêken (Eckart, 51); hd. biegen oder brechen, waarvoor men in het eng. zegt to sink or swim.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut