Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buidelmees - (zangvogel -geen mees (Remiz pendulinus))

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

BUIDELMEESRemiz pendulinus
Duits Beutelmeise
Engels Penduline Tit
Frans Rémiz penduline
Fries Pongmieske
Betekenis wetenschappelijke naam: Remiz: misschien ambachtelijke mees of Romeinse (de vogel zou zich vanuit Italië naar o.m. Polen hebben verspreid); pendulinus = hangend (nest). Het Friese ‘pong’ betekent buidel of beurs, hetgeen op de vorm van het nest doelt, dat de Buidelmees ‘ophangt’, meestal aan het uiteinde van een tak. Zoals uit bovenvermelde namen blijkt is deze soort lange tijd tot de familie Mezen – Paridae gerekend, hetgeen met gedrag en geluid verband houdt. Pas in de vijftiger jaren is de soort zich vanuit Oost-Europa in noordwestelijke richting gaan uitbreiden, waardoor volksnamen ontbreken.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Buidelmees Remiz pendulinus (Linnaeus: Motacilla) 1758. Meesachtige vogel (hoewel slechts op afstand met de echte Mezen verwant), die een buidelvormig, hangend nest maakt. Zo’n nest werd in september 1962 voor het eerst in N gevonden; sinds 1981 is de Buidelmees een jaarlijks in N voorkomende soort. Het is één der weinige niet inlandse soorten die van Schlegel 1858 een N naam krijgt: “Parus pendulinus, LINN., uit het Zuid-Oostelijk Europa, beroemd om het fraai hangend fleschvormig nest en derhalve Buidelmees genoemd.” Schlegel 1844 noemt de toenmalige D naam Gemeine Beutelmeise, dus wellicht is de N naam hiervan een vertaling. Ook Buekers 1902 vermeldt de N naam Buidelmees (p.83). Eerder hanteerde Houttuyn 1763 (p.590) een heel andere naam: “BRISSON stelt deezen voor, onder den naam van Poolsche Mees of Rémiz, gelyk de Duitschers hem heeten, doch de Italiaanen Pendolino, wegens het ophangen van zyn Nestje, weshalve men hem, met regt, Hangnestje mag noemen, of Europisch Hangnest, om hem van de Bananasvogelen te onderscheiden. De Engelschen noemen hem Mountain Titmouse. Hy heeft de grootte van een blaauwe Mees en de gestalte verschilt ook niet veel. Zyn Woonplaats is in Poolen, Lithauwen, Hongarie en Italie. Het Nest, dat hy maakt, is van de Wolligheid der Distelbloemen samengesteld.” In de marge op p.590 staat bij Houttuyn: Europisch Hangnestje. Het plaatje is zo-zo.
ETYMOLOGIE N buidel: būdel būdil; fries bûdel (bijv. in bûdeldier); voor fries ponge ‘beurs, buidel’ zie sub Pongmieske, de friese naam voor de Buidelmees; mnd biutel; D Beutel butil. Een l-afleiding van de stam *buða, waarnaast met -dd- ijsl budda ‘geldbuidel’, zweeds (dial.) bodd ‘kop’, oudengels budda ‘Mestkever’ >middelengels budde, bodde ‘knop, Kever’ >E bud ‘knop, kiem’.
Idg *bheu, *beu ‘zwellen’. Verwant is ook N bos (zie sub Bosgors).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut