Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buidel - (zak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buidel zn. ‘zak’
Mnl. budel ‘geldbuidel’ [1240; Bern.]; vnnl. Buydel, buyl, oft budel ‘zak, beurs’ [1573; WNT].
Os. būdil ‘buidel’; ohd. būtil ‘zakje, beurs’ [8e eeuw] (nhd. Beutel); ofri. būdel (nfri. bûdel ‘huidplooi’), met het achtervoegsel pgm. *-ila afgeleid van pgm. *bud- ‘bollig; ronding’. Deze pgm. wortel zit ook in oe. budda ‘kever’ en nijsl. budda ‘geldbuidel’.
Er zijn geen Indo-Europese verwanten buiten het Germaans. De wisseling tussen de būd- en budd-vormen is typisch voor een laag substraatwoorden.

buil 2 zn. ‘papieren zak’
Vnnl. in een bultgen inden pot gedaen ‘in een builtje in de pot gedaan’ [ca. 1506; Braekman].
Gesyncopeerde vorm van → buidel, dat daarnaast (met betekenisdifferentiatie) bleef bestaan.
builen ww. ‘bloem zeven’. Mnl. budelen, buydelen, bulen ‘door een zak van een of andere stof zeven’, bijv. in Wit tarwenbroet gebudelt ‘wit, gebuild tarwebrood’ [1351; MNW budelen], clene pulverizeren ende budelen doer een sindael ‘fijn verpulveren en zeven door een doek van fijne stof’ [ca. 1460; MNW budelen], van den alreschoensten ghebuelden mele ‘van het allerfijnste gebuilde meel’ [1488; MNW budelen]. Afleiding van buil. Ook mnd. budelen; mhd. biuteln (nhd. beuteln).
Lit.: W. Braekman (1975) ‘Medische en technische Middelnederlandse recepten’, in: Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde III-40, Gent

EWN: ♦ builen ww. 'bloem zeven' (1351)
ANTEDATERING: gebudeld eten 'gebuild, fijn brood eten' [1300-25; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: buidel zn. 'zak'; de vorm buidel (1573)
ANTEDATERING: buydel 'leren zak' [1447; CHN, breda 1447 1]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buidel* [zak] {budel 1201-1250} oudsaksisch būdil, oudhoogduits būtil; het woord gaat terug op een i.-e. stam met de betekenis ‘opzwellen’, evenals buil1.

buil2* [zak] {bule 1451-1500} verkorting van buidel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buidel znw. m., samengetrokken tot buil, mnl. būdel, os. būdil, ohd. būtil (nhd. beutel). — > owfri. būdel. Een l-afleiding van een stam *būða, waarnaast met -dd- nijs. budda ‘geldbuidel’, zw. dial. bodd ‘kop’, oe. budda ‘mestkever’, me. budde ‘knop, kever’; dit zijn alles woorden, die uitgaan van een bet. ‘opzwellen’ en dus dentaal-afl. van de idg. wt. *bheu ‘opzwellen’ (IEW 99).

Deze idg. wt. heeft vele afl. in het germaans en wel behalve dentaal-afl. zoals ook bot 3 nog met gutturaal vgl. bochel en misschien ook buik en met l vgl. buil; met s vgl. boezem, biest, boos en buis 4 en buis 5. Naast de wt. *bheu staat ook *beu, waarvoor zie: pok.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buidel, buil znw., mnl. bûdel, m. = ohd. bûtil (nhd. beutel), os. bûdil m. “buidel, zak”. Owfri. bûdel “id.” zal wel ontleend zijn. Oorsprong onzeker. Misschien van een basis bhū̆-t- of bhū̆-dh- “zwellen”. Die kan naast bhū̆-l- en bhū̆-s- “id.” (zie buil I, boos) bestaan hebben. Van bhū̆-t- kan ook ier. both “penis” komen (onzeker).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

buidel, buil. Op een basis *bhū̌- + dentaalverlenging wijst wellicht ook ijsl. budda ‘beurs’: Persson Beitr. 255. Het aantal woorden, waarin men een grondbet. ‘opgeblazen, gezwollen’ kan vinden, is echter zo groot, dat het etymologiseren hiermee gevaarlijk is. Andere beoordeling van ier. bot ‘penis’ bij WP. II, 117.
Zie nog de opmerking, gemaakt bij buil I Suppl. 2e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buidel m., Mnl. budel, Os. bûdil + Ohd. bûtil (Mhd. biutel, Nhd. beutel): nergens elders: oorspr. onbek.

buil 2 m. (bakkersgereedschap), samentr. van buidel (z.d.w.).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buidel* zak 1240 [Bern.]

buil* zak 1451-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut