Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bui - (vlaag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bui zn. ‘vlaag’
Vnnl. Buye ‘stortbui, (donder)wolk’ [1573; Thes.], buye, buyde ‘(donder)wolk, stortbui, slecht weer, orkaan, woeling’ [1599; Kil.].
Herkomst onbekend. Onwaarschijnlijk is verwantschap met Slavische vormen als Oudkerkslavisch bujŭ ‘dwaas, wild’.
De -ui is een oorspronkelijke tweeklank, zoals ook in → buitelen.
Uit het Nederlands werd het woord ontleend als Nederduits büje, böje ‘stormwind’; Duits Bö(e) ‘rukwind, windvlaag’; Fries bui, buoi ‘bui’; Deens byge; Zweeds by ‘windvlaag’.

EWN: bui zn. 'vlaag' (1573)
ANTEDATERING: een reghenachtighe buye [1556; iWNT afsnoeien]
Later: buy 'regenbui' [1605; Hooft, 39]; een quaer buy 'een slecht humeur' [1612; iWNT stik II]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bui* [neerslag, stemming] {buye 1599 als ‘neerslag’; de betekenis ‘vlaag van ongenoegen’ 1626; als ‘stemming’ 1786} in het nl. ontwikkeld; verwantschap is te zoeken bij de onder beuzelen genoemde woorden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bui znw. v., sedert Kiliaen > nd. böj(ə), büj(ə) > nhd. , de. byge, zw. by. — Germ. grondvorm *bujō kan behoren tot de idg. wt. *bheu: bhu ‘opzwellen, blazen’ (IEW 146), vgl. ook osl. bujĭ ‘wild, dwaas’. — Zie ook: beuzelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bui znw., sedert Kil. In ’t Ndd. treedt ’t woord büj(ә), böj(ә) later op dan in ’t Ndl.; wellicht is ’t hieruit ontleend. Uit ’t Ndd. weer hd. v., de. byge, zw. by “bui”. De vorm buyde, bij Kil. naast buye, is evenmin als puyde naast puye oud. Wsch. niet ontleend, maar < germ. *ƀûjô-, verwant met obg. bujĭ “wild, dwaas” (idg. *bhou-jo-). Voor een verlenging van de basis bhū̆- zie beuzelen, een andere kan bhū̆-r- zijn, waarvan o.a. obg. burja “stormwind”, lit. bûry͂s “bui”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bui v., waaruit Ndd. en Hgd. , Zw. by, De. byge: oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bui ‘neerslag’ -> Duits ‘windstoot (in de grensdialecten ook: slecht humeur, neerslag)’; Deens byge ‘neerslag’; Deens dialect bøje ‘neerslag’; Noors byge, bøye ‘neerslag’; Zweeds by ‘krachtige wind, vaak met hevige kortdurende neerslag’; Fins pyy ‘zwaar, gevaarlijk weer met plotselinge windvlagen’ ; Frans dialect beûye; beit ‘stortvloed; rukwind’.

bui ‘stemming’ -> Papiaments beis ‘stemming, humeur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bui* neerslag 1573 [Claes Tw. 12]

bui* stemming 1786 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut