Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buffelen - (gulzig eten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buffelen ww. ‘gulzig eten’
Nnl. buffelen ‘eten’ [1858-70; WNT], bijv. in Gij buffelt van middag goed, kleine! [1872; Dale].
Volgens het WNT een frequentatief bij het werkwoord boffen in de betekenis ‘een klap geven, slaan’ [1889; WNT], zie → bof; in de betekenis ‘slaan’ is buffelen reeds Vroegnieuwnederlands: met vuisten en stokken te buffelen op sijn Wijf [1679; WNT]. Het verband met eten wordt bijv. gelegd in een uitdrukking als (eten) naar binnen slaan. Boffen kon ook ‘de wangen opblazen’ betekenen (WNT). Voor ‘gulzig eten’ zal zeker ook Frans bouffer ‘eten, smullen; zich volproppen’, oorspr. ‘de wangen opblazen’ (> BN boef(f)en ‘(vr)eten’) hebben meegespeeld.

EWN: buffelen ww. 'gulzig eten' (1858-70*)
ANTEDATERING: Alawel , wat wil de gai buffelen ? 'Wel, wat wil u eten?' (Antwerps) [1832; Bok, 240] (1858-70*)
{* De datering van de eerste attestatie in het WNT moet gewijzigd worden in: [1870; iWNT].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buffelen [zich hard inspannen, gulzig eten] {1858-1870 in de betekenis ‘gulzig eten’} < hoogduits büffeln; iteratief van middelhoogduits buffen [slaan, stoten], maar voor het gevoel afgeleid van buffel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buffelen ww. ‘schrokken’ evenals nhd. büffeln ‘hard werken’ een afleiding van buffel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buffelen ww., eerst nnl. In de dial. bet. “slaan” van boffen, buffen gevormd. Buffelen “eten” zal wel van buffel komen; vgl. hengsten e. a. dgl. van diernamen afgeleide ww.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bruffelen, ww.: gulzig eten; onduidelijk spreken. Met epenthetische r uit buffelen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

buffelen ‘gulzig eten’ (Duits büffeln)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buffelen ‘hard werken’ -> Sranantongo bofru ‘hard werken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buffelen gulzig eten 1858-1870 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut