Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruusk - (kortaf, onzacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bruusk bn. ‘kortaf, onzacht’
Vnnl. brusk ‘luid, bars’ [1623; WNT tokkelen], brusque ‘stuurs, bars’ [1650; Claes 1994a].
Ontleend aan Frans brusque ‘ruw, wild’ [1373; Rey] < Italiaans brusco, dat als bn. de betekenis ‘ruw, ongepolijst; bitter, scherp van smaak’ heeft en als zn. de betekenis ‘muizedoorn’ (waaruit ook Provençaals brusc ‘heidestruik’) < Laatlatijn bruscus ‘doornstruik, muizedoorn’ [11e eeuw; Rey], dat wrsch. een samensmelting is van Latijn brūcus ‘heidestruik’ en Latijn rūscum ‘doornstruik’ (waaruit ook Provençaals rusc ‘hulst’). Het is ook mogelijk dat Italiaans brusco is ontstaan uit Laatlatijn bruscum ‘knoest’. De verdere herkomst van deze woorden is onduidelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruusk [kortaf] {brusque [stuurs, bars] 1650} < frans brusque [scherp, kort aangebonden] < italiaans brusco [wrang, bars] < middeleeuws latijn bruscia [struikgewas], brussa [borstel] < latijn bruscum [uitwas van de esdoorn], uit het gallisch, vgl. oudiers froech [heide] → bruyèrehout.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bruusk (Frans brusque)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bruusk kortaf 1650 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut