Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brulboei - (zeeboei voorzien van een brulinstallatie en een fluit)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

brulboei: iemand die een grote mond opzet; schreeuwlelijk. In muziekkringen ook gezegd van een zanger met een hoog stemgeluid. Onder mariniers een bijnaam voor de marinier die les infanterie geeft. Een brulboei (ook wel staartboei genoemd) is eigenlijk een zeeboei voorzien van een brulinstallatie en een fluit. Ze ligt voor zeegaten en moet dienen om gevaarlijke banken voor de kust te dekken.

Hij was zo sjikker dat ie amper kon staan, ik kende hem wel van gezicht; een verschrikkelijke klootzak, ’n brulboei vooral getapt om z’n poen. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
… nooit eentje die trek had om met die brulboei op de vuist te gaan. (Haring Arie, Recht voor z’n Raap, 1972)
Boudewijn Büch had een gesprek met Brulboei Numero Uno van de Laars, die thuis naar Beethoven luistert. (Nieuwe Revu, 01/12/1988)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal