Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruisen - (hevig borrelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bruisen ww. ‘hevig borrelen’
Mnl. brusscen ‘bruisen, schuimen; stormen’ [1336-39; MNW], bru(i)schen ‘id.’ [MNHW], naast het bijna synonieme brusen ‘schuimen, gisten’ [1477; Teuth.], zie → broes, die samengevallen zijn in één werkwoordsvorm ndl. bruisen, omdat in het laat-mnl. -sch- en -s- samenvielen in in- en auslaut.
Mnl. bruusschen is eventueel op te vatten als een klanknabootsing, hoewel zeker niet uitgesloten is dat het een intensiefvorming is bij mnl. brusen. Een dergelijke verhouding bestaat bijv. ook tussen mnl. ruusschen ‘ruisen’ (mnd. rusken, ruschen; mhd. r(i)uschen) (zie → ruis) en mnl. rusen ‘huilen, razen’ (mnd. rusen ‘huilen, razen’).
Mhd. bruschen < pgm. *brūskan- ‘bruisen, schuimen’. Bij mnl. brusen: mnd. brusen (nnd. brusen), Oost-Fries brusen; nhd. brausen; < pgm. *brūsan- ‘schuimen, gisten’.
Pgm. *brūsan- is mogelijk een verlenging met -s- bij de wortel pie. *bhreu- ‘gisten, zieden’ (zie ook → brouwen 1, hoewel dit op problemen stuit: deze wortel gaat immers terug op pie. *bhreh1u-). Waarschijnlijker is dat dit een substraatwoord is.
Naast bruisen komt ook vnnl. broesen ‘stormen’ [1573; Thes.], nnl. broezen [1902; WNT] voor. In de standaardtaal wordt pgm. *-ū- normaliter -ui- of -uu-; bruisen kan daarom een relictwoord zijn waarin de -ū- bewaard is, zoals → poes naast westelijk puus en puys [1616; WNT]; een soortgelijk verschijnsel doet zich voor bij → stiel naast stijl en → scharensliep naast slijpen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruisen* [borrelen] {brusscen [bruisen, schuimen, stormen] 1336-1339} middelhoogduits bruschen [bruisen]; dit ww. viel samen met bruysen [gisten, schuimen] {1477} middelhoogduits brusen (hoogduits brausen) [bruisen], in ouder nl. (klankwettig) bruizen; beide ww. zijn in oorsprong identiek, wellicht verwant met broos, mogelijk echter van klanknabootsende herkomst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bruisen ww. Te onderscheiden zijn twee woorden en wel 1. oudnnl. bruysen (Teuthonista) ‘gisten, schuimen’, mnd. brūsen, mhd. brūsen ‘bruisen’; oudnnl. komt de klankwettige vorm bruizen dan ook nog voor, vgl. fri. brūz(j) e ‘bruisen, schuimen’. Grondvorm is germ. brūs-, afgeleid van idg. wt. *bhrŭ, waarvoor zie: brood. — 2. mnl. brūschen ‘bruisen, stormen’, mhd. brūschen ‘bruisen’. Dit is een klanknabootsend woord, vgl. woorden als ruisen, druisen of briesen. — Zie: ook: broes.

Het woord bruisen 1 heeft analogieën in nzw. brūsa, fær. brúsa ‘vooruitstormen, bruisen’ (vgl. de on. naam voor een bok brūsi), dat men heeft willen verbinden met gr. phrúassomai ‘zich ongeduldig, wild aanstellen’ (Persson UUÅ 1891, 164) of met lit. bruzgù, bruzgė́ti ‘bruisen, klapperen’, bruzga ‘ruisen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bruisen ww. Hierin zijn twee ww. samengevallen: 1. Teuth. bruysen “gisten, schuimen” = mhd. brûsen (nhd. brausen), mnd. brûsen “bruisen”, dat in ’t Ndl. klankwettig z zou hebben; deze komt oudnnl. voor, evenzoo fri. brûz(j)e “bruisen, schuimen”; vgl. ook dial. ndl. fri. brûs o. “schuim”. Brû-s- komt van brû-: idg. basis bhrū̆-, zie brood; — 2 mnl. brûschen “bruisen, stormen (van den wind)” = mhd. brûschen “bruisen”, dat wsch. met 1. oorspr. identisch is. De sch (> nndl. s) is dan aan de analogie van andere ww. (druisen, briesen e. dgl.) toe te schrijven. Dat zulke onomatopoëtisch gevoelde woorden in bet. en vorm door andere beïnvloed worden is begrijpelijk; zoo sluit ozw. brusa “aanstormen” zich in bet. bij busa (zie beuzelen) aan. Ook kan zich hier en daar met brûs- de klankverwante woordfamilie van broos vermengd hebben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruisen 1 ono.w., Mnl. (Teuthon.) bruysen, Mhd. brûsen (Nhd. brausen), Fri. brûzje = schuimen. Bruisen 1 en 2. beide wellicht van den wortel van broos. Vla. beide bruischen.

bruisen 2 ono.w., Mnl. brûscen, Mhd. brûschen = razen. Bruisen 1 en 2. beide wellicht van den wortel van broos. Vla. beide bruischen.

broes, broesem, broezen , met dial. oe bij bruisen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

broesje (ww.) bruisen; Middelnederlands brusscen <1336-1339>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

pruisen, prossen, ww.: bruisen, geweldig snuiven; proesten. Ovl. pruischen, Zvl. pruussen ‘opborrelen, schuimen, uitspatten’, Wvl. pruuschen. Vgl. Mnl. pruusschen ‘snuiven, snorken’, Vnnl. pruuschen, ghilen, zieden ‘boulir, giler, brouër’ (Lambrecht), pruyschen ‘borrelend koken’ (Kiliaan). Vgl. Mnl. bruschen ‘bruisen, schuimen’, zoals Mhd. bruschen < Germ. *brûskana-. Wsch. klanknabootsend.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

broezen, ww.: bruisen, schuimen; proesten (van paarden). Variant van bruisen met behoud van de oude û (oe-klank). Laatmnl. 1477 brusen ‘schuimen, gisten’, Vnnl. broesen ‘stormen’ (Kiliaan). Vgl. Mhd., Mnd. brûsen, D. brausen ‘opborrelen, schuimen, ruisen’. Wellicht een s-uitbreiding van Idg. *bhreu-, *bhrû- ‘opwellen, zieden, gisten’.

pruisen, prousen, sproesen, ww.: bruisen, geweldig snuiven; proesten (van paarden). Ook Ovl. pruischen, Zvl. pruussen ‘opborrelen, schuimen, uitspatten’, Wvl. pruuschen. Vgl. Mnl. pruusschen ‘snuiven, snorken’, Vnnl. pruuschen, ghilen, zieden ‘boulir, giler, brouër’ (Lambrecht), pruyschen ‘borrelend koken’ (Kiliaan). Vgl. Mnl. bruschen ‘bruisen, schuimen’, zoals Mhd. bruschen < Germ. *brûskana-. Wrsch. klanknabootsend.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

pruischen (E, W, ZO), pruussen (ZV), ww.: opborrelen, schuimen, uitspatten. Ook Wvl. pruuschen. Vgl. Mnl. pruusschen 'snuiven, snorken', Vnnl. pruuschen, ghilen, zieden 'boulir, giler, brouër' (Lambrecht), pruyschen 'borrelend koken' (Kiliaan). Vgl. Mnl. bruschen 'bruisen, schuimen', zoals Mhd. bruschen < Germ. *brûskana-. Wsch. klanknabootsend.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bruzen, broeze bruisen (Veluwe, Oost-Nederland). 16e-eeuws nl. bruysen = fri. brûzje = mhgd. brusen = hgd. brausen, maar ≠ nl. bruisen (= mnl. brûschen = lit. bruzgęti ‘bruisen’). Beide groepen komen van een onomatopoëtische wortel, die ook in brood en brouwen wordt aangetroffen.
Van Schothorst 35, De Bont 1958, 118, NEW 92, WNT III 1686-1687.

pruisen, proese, proise geweldig snuiven, gez. v. een paard (Brabant). Klanknabootsing.
WBD 614.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pruuschen (DB), ww.: opborrelen, opwellen, doorsijpelen. Vgl. Mnl. pruusschen ‘snuiven, snorken’, Vroegnnl. pruuschen, ghilen, zieden ‘boulir, giler, brouër’ (Lambrecht), pruyschen ‘bullire, fervere, infervere, cum murmure’ (Kiliaan). Vgl. Mnl. bruschen ‘bruisen, schuimen’, zoals Mhd. bruschen < Germ. *brûskana-. Wsch. klanknabootsend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bruisen ‘borrelen’ -> Deens bruse ‘borrelen; snel bewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bruse ‘borrelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds brusa ‘borrelen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bruisen* borrelen 1336-1339 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal