Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruin - (kastanjekleurig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bruin bn. ‘kastanjekleurig’
Mnl. als toenaam: Woutre brun(e) [ca. 1210-1240; CG I, 2-10], bruun ‘bruin, donker, glanzend’ [1240; Bern.].
Os. brūn, ohd. brūn (nhd. braun); oe. brūn (ne. brown); nfri. brún; on. brúnn (nzw. brun); < pgm. *brūna-.
Er wordt meestal van uitgegaan dat de Proto-Germaanse vorm verwant is met woorden voor ‘bruin(e dieren)’, met *bh(e)r- als wortel, zie → beer, zoals Sanskrit bubhrú- ‘bruin; ichneumon-soort’. Een geredupliceerde vorm komt voor in de benamingen voor de → bever. Nog verder weg staat Litouws bė́ras ‘bruin’ (< *bheh1ro-?). De Germaanse formatie staat echter geïsoleerd. Mogelijk is pgm. *brūno- < pie. *bhru-Hn-o-.
Aan het Germaans ontleend zijn Frans brun, zie → brunette; Italiaans bruno; Servo-Kroatisch brun.

EWN: bruin bn. 'kastanjekleurig' (ca. 1210–1240)
ANTEDATERING: onl. brūn 'bruin' als toenaam in Sigerus Brun 'Zeger (de) Bruine' [1151-75; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruin* [kleurnaam] {bruun 1210-1240} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels brūn, oudnoors brūnn; buiten het germ. grieks phrunè [padde], oudindisch babhru- [roodbruin] → beer1, bever. In de uitdrukking dat kan bruin niet trekken is bedoeld het bruine paard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bruin bnw. mnl. bruun, os. ohd. ofri. oe. brūn, on. brūnn. — lit. bė́ras ‘bruin’, gr. phrúnē, phrúnos ‘pad’, oi. babhru- ‘rood, bruin’. — Zie: beer en bever.

Er is ook een homoniem, dat ‘glanzend’ betekent, zoals on. brūnn; het is beter dit van het woord voor ‘bruin’ te scheiden (vgl. AEW 61).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bruin bnw., mnl. bruun. = ohd. brûn (nhd. braun) os. ofri. ags. brûn (eng. brown), on. brûnn “bruin”, in sommige talen ook “glanzend”. Serv. brun “donkerbruin” (ook in andere slav. talen) komt uit ’t Germ. evenals fr. brun, it. bruno. Wsch. zijn gr. phrúnē, phrúnos “de pad” verwant. De basis bh(e)rŭ-, waarvan mogelijk nog russ. dial. brynětˊ “wit-, geel-, grijsachtig glanzen”, is verlengd uit bhĕr- “glanzen”; vgl. lit. bė́ras “bruin”, gr. phárē nephélai, pharúnei (wsch. een eerst gr. u-formatie); lamprúnei (Hes.), wellicht ook russ-ksl. br-onŭ “wit, bont (van paarden)”. Vgl. nog de bij berk vermelde verlengingen van bher- en beer II en bever. Lat. furvus “donkerkleurig” en fuscus “donkerbruin” kunnen hierbij gebracht, maar ook anders opgevat worden. — Van fr. brun ’t ww. brunir. Hieruit ndl. bruineeren, reeds mnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruin bijv., Mnl. bruun, Os. brûn + Ohd. brûn (Nhd. braun), Ags. brún (Eng. brown), Ofri. brún, On. brúnn (Zw. en De. brun): met een suff. -no van Idg. wrt. bher = roodbruin (z. bever en beer 1). Ging over in ’t Lit.: brunas, en in ’t Rom. : Mlat. brunus, It. bruno, Fr. brun. — In dat kan bruintje niet trekken is bruintje een bruin paard (cheval bai).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

broen (bn.) bruin; Vreugmiddelnederlands bruun <1210-1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bruin: bruine suiker (de), lichtbruine rietsuiker voor dagelijks gebruik. Voor theekannen [zie kan*, 1] gebruikte moeder jampotten en plastic kannen*. Ook bruine suiker ontbrak niet op tafel (Barron 1981a: 84). - Etym.: De toevoeging ‘bruin’ is nodig ter onderscheiding van witte* suiker (of broodsuiker*) die ook dagelijks gebruikt wordt. AN b.s. is een fijnkorreliger, licht- tot zeer donkerbruine suiker of basterdsuiker uit suikerbieten die alleen gebruikt wordt bij de bereiding van bepaalde gerechten en als broodbeleg. SN b.s. wordt in Ned. veelal ‘rietsuiker’ genoemd.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bruine, bruintje Omstreeks 1890 gevonden in Amsterdam. Een woordenlijst uit die tijd geeft als voorbeeldzin haal een bruine voor ‘haal een slokje’. In het Fries is deze borrelnaam nog onlangs aangetroffen als brúntsje. Het gaat hier hoogstwaarschijnlijk om jenever met bitter dat daardoor een enigszins bruine kleur krijgt.
Vergelijk bitter.

[Graaf]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bruin ‘kleurnaam’ -> Fries in bruin libben ‘een mooi leventje’; Engels Bruin ‘diernaam, in het bijzonder van de bruine beer’; Negerhollands bruun, brin, bryen ‘kleurnaam’; Papiaments brùin, brein (ouder: bruin) ‘donkere kleur’; Sranantongo broin ‘kleurnaam’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

blauw. In 1859 is het eerste woordenboek van het Papiaments verschenen. Een exemplaar ervan werd in 1958 teruggevonden, maar zonder titelpagina, zodat auteur, titel, uitgever en plaats en tijd van uitgave onbekend waren. Recent onderzoek echter heeft de ontbrekende gegevens opgeleverd, en in 2004 is een heruitgave van het werk verschenen onder de titel Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden met Zamenspraken, door Bernardus Th.J. Frederiks en Jacobus J. Putman, 1859, Curaçao, Drukkerij van het vicariaat. Putman was verantwoordelijk voor het deel Zamenspraken (dialogen), dat een herdruk was van een reeds in 1853 gepubliceerd boek, terwijl Frederiks de woordenlijst had samengesteld. Op pagina 34 staat een overzicht van kleurnamen in het Papiaments en het Nederlands. Hier staan vermeld:

blankoe - wit, prétoe - zwart, koraal - rood, blaauw/azoel - blaauw, geel (heel) - geel, bérde - groen, bruin - bruin, grijs - grijs, cjinísji - aschgraauw, morá - paars, bleek - bleek.

Aan dit rijtje valt op dat een aantal Papiamentse kleurnamen ontleend is aan het Nederlands, namelijk blauw, geel, bruin, grijs en bleek. De overige namen gaan terug op het Portugees of Spaans. De genoemde Nederlandse leenwoorden komen nog steeds voor in het Papiaments, tegenwoordig op Curaçao gespeld als blou, hel, brùin, gris en blek (gris is inmiddels qua spelling aangepast aan het Spaanse gris). Blauw en geel zijn (naast rood) de primaire kleuren, kleuren dus waarvan je niet verwacht dat de namen uit een andere taal worden overgenomen. Als secundaire kleuren, die ontstaan door menging van twee primaire kleuren, gelden oranje, groen en violet. Van deze drie is de Nederlandse naam oranje door het Papiaments geleend in de vorm oraño. Tevens heeft het Papiaments ros geleend, teruggaand op roze.

Het Indonesisch heeft uit het Nederlands de kleurnamen belau 'blauw' en oranye 'oranje' geleend, en de mengkleuren lila, okér, pastél en violét. Het Sranantongo heeft geleend blaw 'blauw', breiki 'bleek', broin 'bruin', geri 'geel', grun 'groen', oranye 'oranje', persi 'paars' en misschien weti 'wit' (dat laatste kan ook uit het Engels komen; het Sranantongo is immers een Engelse creooltaal).

Nederlandse kleurnamen zijn niet alleen geëxporteerd naar de vroegere koloniën, maar ook naar enkele Europese landen. In dat geval echter beduiden ze niet een kleur, maar een specifieke záák met die kleur. Zo is in het Portugees zuarte de benaming voor een soort katoenen weefsel van zwarte kleur. Engels Bruin of bruin, uitgesproken als /broe-in/, wordt gebruikt als eigennaam ter aanduiding van de bruine beer, bijvoorbeeld: 'During the autumn Bruin may not unfrequently be seen near the vineyards' (in de herfst kan men regelmatig Bruin(tje) tegenkomen in de buurt van de wijngaarden). Het Engels heeft dit woord al in de tweede helft van de vijftiende eeuw overgenomen; het gaat terug op Bruin de Beer, de naam van de beer in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reinaerde. Dit dierenepos is in veel talen vertaald, waaronder het Engels. De naam Bruin wordt ook wel gegeven aan een bruingekleurd huisdier, zoals een abessijn.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat kleurnamen van de ene taal in de andere worden overgenomen: kleuren zijn toch universeel, dus iedere taal zal daarvoor toch wel een eigen benaming bezitten? Toch blijkt dat juist kleurnamen zeer regelmatig zijn geleend van de ene taal in de andere, kennelijk omdat de brontaal kleurnuances onderscheidde die tot dan niet voorkwamen in de ontlenende taal. Zo zijn de Germaanse namen voor kleuren die in de Nederlandse woorden blank, bruin, grijs en vaal zijn blijven voortleven, overgenomen door het vulgair Latijn en vandaar in de Romaanse talen. Waarschijnlijk duidden de Germaanse soldaten met deze namen de kleur van hun paarden aan; in ieder geval verwezen ze naar kleurnuances die voordien bij de Romeinen geen benaming hadden. In het Frans vinden we de Germaanse woorden terug als blanc, brun, gris en fauve. De Romeinen hebben ook het woord voor de typische haarkleur van de Germanen overgenomen, namelijk 'blond', dat in het Frans blond is geworden en in het Nederlands weer is teruggeleend. Het Nederlandse blond is op zijn beurt geleend door het Papiaments als blònt.

In een latere periode heeft het Nederlands allerlei kleurnamen ontleend aan het Frans, die kennelijk tinten aanduidden die tot dan bij ons onbenoemd waren, of die in een bepaalde periode in de mode raakten: in de dertiende eeuw de namen oranje, paars, scharlaken en violet, in de veertiende eeuw azuur en vermiljoen, in de vijftiende eeuw roze, in de zestiende eeuw oker, in de zeventiende eeuw tur­koois, in de achttiende eeuw pastel, en in de negentiende eeuw beige en lila. Een deel van deze geleende namen hebben we vervolgens weer uitgeleend aan andere talen, zo bleek hierboven. Uit de dateringen blijkt dat de kleurnamen niet allemaal tegelijk zijn geleend, maar geleidelijk naarmate het kleurenpalet, ook in het Frans, zich uitbreidde. Ongetwijfeld heeft de internationaal georiënteerde schilderkunst een belangrijke rol gespeeld bij de overname van de kleurnamen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bruin* kleurnaam 1210-1240 [CG I1, 10]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bruine dwerg (← Eng. brown dwarf), compact object waarvan verondersteld wordt dat het deel uitmaakt van de zwarte materie in het heelal. Het bestaan van dergelijke bruine dwergen is pas sinds enkele jaren bekend. Ze zijn doorgaans groter dan de aarde maar net niet groot genoeg om onder invloed van de zwaartekracht een kernreactie te vertonen en daardoor licht uit te stralen.

Het weer is nu beter en in de controlekamer jagen twee Engelse sterrenkundigen op een zogeheten bruine dwerg die zich in het sterrenbeeld de Pleiaden ophoudt. (Elsevier, 20/12/97)

bruin, slang voor ‘heroïne’. → wit*.

Er is hier in de buurt heel wat ambulante handel, zo op een vrijdagmiddag. Niet alleen pillen, maar ook heroïne en cocaïne (‘bruin’ en ‘wit’). (HP/De Tijd, 11/04/87)
Verslaafde prostituées komen hier hun ‘wit’ (cocaïne) of ‘bruin’ (heroïne) kopen. (NRC Handelsblad, 08/08/97)
De gekookte coke heeft veel kapotgemaakt. Ik ben er zelf jaren aan verslaafd geweest. Je blijft het gebruiken en dan heb je ook nog bruin (heroïne) nodig om de effecten te dempen. (ZIN, september 1997)
De gesprekken gingen nu eens niet over bolletjes wit en bruin, maar over school en werk. (Elsevier, 03/10/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

376. Dat kan de bruine (of bruin) niet trekken,

d.i. dat kan ik niet betalen, dat is me te duur. Onder de bruine moet worden verstaan het bruine paardVgl. het fri. de blauwe, de blauwbonte koe of het blauwgrijze paard.. Vgl. Harreb. I, 101 a: Dat kan de bruin niet trekken; dat kan graauw niet trekken, daar moet een bruin wezen; Bergsma, 172: Dat kan de broen neet trekken, dat kunnen we niet betalen: fri.: dat kin de brune net lûke (dêr moat de swarte by). In Zuid-Limburg: Dat kan mijne grijze niet trekken. Ook in Zuid-Nederland is deze zegswijze bekend, blijkens Waasch Idiot. 787 b; Antw. Idiot. 306: Dat kan den bruine niet trekken, mijne middelen laten niet toe om dat te bekostigen. Syn. is dat kan bles niet trekken (Draaijer, 43 a).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut