Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruiloft - (huwelijksfeest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bruiloft zn. ‘huwelijksfeest’
Mnl. brulogt ‘trouwfeest’ [1240; Bern.], brudlocht [1285; CG II, Rijmb.], bruulocht [1287; CG I, 1211], in bruloften (verbogen vorm) [1465; MNW].
Gevormd uit → bruid en -locht/-loft ‘loop’.
Os. brūdloht; ohd. brūlouft (verouderd en gewestelijk nhd. Brautlauf); nfri. brulloft. Het tweede woorddeel *-locht < *-loft- < pgm. *hlauf-ti- < ouder *hlaup-ti, een verbaalabstractum bij het werkwoord pgm. *hlaupan- ‘lopen, dansen, rennen’, zie → lopen. Daarnaast staan samenstellingen met pgm. *hlaupa- ‘loop’: oe. brydhlop; on. brúðhlaup (nzw. bröllop).
Het woord vertoont de zeer oude overgang van -pt- naar -ft- (Primärberührung). In de standaardtaal heeft daarna de overgang van -ft- naar -cht- (zie → achter) niet plaatsgevonden, maar in de vaak uit het zuiden (Brabant) stammende Middelnederlandse teksten komt de vorm met -ch- regelmatig voor.
De oorspr. betekenis van het tweede lid wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd. Sommigen menen dat het ‘dans, feest’ betekent, anderen ‘de plechtige gang van de jonggehuwden van het huis van de bruid naar dat van de man’ (MNW), weer anderen ‘de snelle ren van het bruidspaar om de demonen te verdrijven’.

EWN: bruiloft zn. 'huwelijksfeest' (1240)
ANTEDATERING: onl. zuo einer brutloft 'op een bruiloft' [1151-1200; ONW]
Later: Jans brulofte [1317; iMNW gierant] (EWN: 1465)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruiloft* [trouwfeest] {brulocht, bru(ut)loft 1201-1250} van bruid + lopen1 dus lett. ‘bruids-loop, het afhalen van de bruid’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bruidegom

De moeilijkheid van dit woord zit in de staart: het woord gom komt alleen in deze samenstelling voor en betekent man. De bruidegom is dus eenvoudig de man van de bruid. Een ander oud woord, dat hetzelfde betekent als man, is het woord weer. Wij kennen het nog in weerwolf. Dat is, volgens oud volksgeloof, een man die zich ’s nachts in een wolf veranderde. (zie dat woord).

Nu wij het toch over een bruidegom hebben, moet ook het woord bruiloft even worden verklaard. Loft hangt samen met lopen en het woord herinnert aan het oeroude gebruik dat de aanstaande man zijn bruid moest roven van haar ouders en met haar moest vluchten, achtervolgd door haar vader en broers. Werden de gelieven ingehaald, dan was de bruid-loop mislukt en ging het huwelijk niet door.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bruiloft znw. v., met hollands-friese ft, vgl. mnl. bruudlocht, brūlocht, brūloft, os. brūdloht, ohd. brūtlouft m. o. brutloufti v. heeft als 2de lid germ. *hlaufti waarnaast *hlaupa in oe. brydhlop, on. brūðhlaup, beide van het ww. lopen.

Het woord betekent eig. ‘het brengen van de bruid naar het huis van haar toekomstige echtgenoot’ en wel in een snelle loop (vgl. de Vries, Altgerm. Religionsgeschichte 2. druk § 140); daarentegen wil E. Schröder ZfdA 61, 1924, 17-34 het woord verklaren als ‘bruiloftsdans’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bruiloft znw., met holl.-fri. ft, uit mnl. bruudlocht, brûlocht, -loft v. = ohd. brûtlouft m. o., brûtloufti v., os. brûdlŏht (m.v.?) “bruiloft”. Het 2de lid is een verbaalnomen *χlaufti- (-tu-, -ta-) bij lopen, met vocaalverkorting door den zwakken toon. Een vorm *χlaupa- in ags. brŷdhlop (ŏ wsch. < â < e̯â < ḕa), on. brûðhlaup o. “id.”. “Bruid-loop” beteekende ospr. “het plechtige afhalen van de bruid”. Zie ook: bruid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bruiloft. Edw. Schröder ZsfdA. 61, 22 vlgg. beschouwt als de ospr. bet. ‘bruiloftsdans’. Wegens het feit, dat het ww. lo[o]pen in verschillende germ. talen vanouds ‘springen’ betekent, alsmede de parallel van huwe1ijk, verdient deze opvatting overweging naast de in het art. vermelde, die intussen de waarschijnlijkste blijft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruiloft v., Mnl. brulocht, Os. brûdlocht + Ohd. brût-hlouft (Nhd. brautlauf), Ags. brýdhleap, On. brúd-hlaup (Zw. bröllop. De. bryllop). Gewoonlijk verklaard als bruidoptocht, d.i. het afhalen van de bruid door den bruidegom en zijn gevolg, als een overblijfsel van den ouden bruidroof; daar echter deze samenst. reeds bestond, toen loopen nog = springen, dansen, is het waarschijnlijk dat bruiloft = bruiddans, d.i. de eerste door de bruid aangevoerde dans van het trouwfeest (cf. huwelijk), dus trouwfeest. Zoo heet bruiloft in ’t Eng. bridal d.i. brideale = bruidsbier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

broelof (zn.) bruiloft; Vreugmiddelnederlands brulogt <1240>.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bruiloft, mnl. bruloft, brullocht, samengesteld uit bruid en een afleiding van loopen (verg. koopen, gekocht, dial. gekoft), oorspronk. dus de optocht of reidans, bij ’t brengen van de bruid naar het huis van den bruidegom.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bruiloft, eig. bruid-loft, bet. bruid-loop, en loopen in de bet. van een optocht houden, gepaard met feestelijkheden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bruiloft ‘trouwfeest’ -> Chinees-Maleis bruiloft ‘trouwfeest’; Negerhollands bruiloft, brylloft ‘trouwfeest’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bruiloft* trouwfeest 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

375. Van bruiloft(en) komt bruiloft(en),

d.w.z. op een bruiloft wordt dikwijls kennis gemaakt, wat een huwelijk ten gevolge kan hebben. Deze gedachte vinden we in de 17de eeuw o.a. bij Cats I, 295 a en Brederoo, I, 245:

 Dus moet ick... uytsien om een wijf,
 En alsoo ghemeenlijck uyt Bruyloften, Bruyloften komen,
 So heb ick mijn gang wel vrijelijck hier enomen,
 Om te sien of ick mijn gaejingh hier oock vinden sou.

Harreb. I, 100: De eene bruiloft brengt de andere voort of Van bruiloften komt bruiloften; fri. fen brulloftsjen komt brulloftsjen; Ndl. Wdb. III, 1656; Limb. Dao is gein broelof zoo klein of dao maak zich wejer ein (Maasgouw, 1880, bl. 316).

1499. Menistenbruiloft.

Hieronder verstond en verstaat men het ledigen der beerputten, den druivenwingerd snoeienN. Taalgids XIII, 139., dat bij nacht geschiedt, met woordspel tusschen bruid, sponsa, en het nu verouderde bruid, stercora liquida, drek, welke gelijkheid in vorm aanleiding gaf tot allerlei uitdrukkingen als de vuile bruid (drek); de bruid uitdragen, - trouwen, - leiden, den beerput ledigen; bruidleider, beersteker, nachtwerker (Mnl. Wdb. I, 1471; Stallaert I, 294 b; Tuinman I, 129). Daar nu de menisten vroeger, in de 17de eeuwIn de 18de eeuw waren de Menisten niet meer zoo eenvoudig. Van Effen, Spect. I, 200, zegt o.a.: Hunne Bruiloften verslinden Kapitalen, daar deftige Familien van zouden kunnen bestaan., als stemmige menschen bekend stonden en hunne bruiloften zonder veel rumoer vierden, evenals de nachtwerkers des nachts stil hun werk verrichtten, zoo werd schertsender wijze deze werkzaamheid, deze stille bruiloft (woordspel met stille, geheim gemak?) een menistenbruiloft genoemdHarreb. I, 100, beweert, dat de naam menistenbruiloft aan die werkzaamheid gegeven werd, wanneer de tonnetjes met dekseltjes toegedekt waren, ‘omdat de Menisten bijzonder piëus en zindelijk zijn’.. In de 17de eeuw zeide men ook hiervoor zonder speulman bruiloft houden (zie Asselijn, Jan Kl. vs. 723Zwolsche Herdrukken 12-13, bl. 93.); thans in sommige streken ook bruiloft houden of bruiloften. Zie Bergsma, 32: bruloften, op bruloft gaon (Assen), den beerput leegen; Draaijer, 6 b: 't is hier van nacht menisten brülfte, de beerput wordt geruimd; in het Friesch: minniste bruiloft hâlde naast brulloftsje in denzelfden zin. In Ostende wordt een optrekkende beerwagen (-wagens) de bruiloft van Cana genoemd (De Cock1, 276). Merkwaardig is ook het door Prick, 1297 vermelde ‘wedding, emptying a necessary house in and about London; Irish wedding, the emptying of a cess-pool.’ Vgl. nog Ndl. Wdb. III, 1635; 1657.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut