Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruien - (plagen, kwellen; stoten, slaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bruien ww. (gewest.) ‘plagen, kwellen; stoten, slaan’
Vnnl. bruyen “met sijn bruydt vereenigen” [1573; Thes.], bruien ‘slaan’ [1686; WNT]; nnl. De nieuwelingen worden altijd gebruid ‘de nieuwelingen worden altijd gepest’ [1710; WNT].
Mogelijk een afleiding van het Middelnederlandse werkwoord bruden ‘een vrouw beslapen’ [1351; MNW], zelf een afleiding van → bruid. Terwijl → neuken aanvankelijk de betekenis ‘stoten, slaan, stompen’ had, waaruit de betekenis ‘geslachtsgemeenschap hebben’ zich ontwikkelde, vond bij bruien een omgekeerde ontwikkeling plaats naar ‘stoten, slaan’ en ‘kwellen, plagen’. Zie ook → verbruien.
Toen bruien eenmaal ‘slaan’ betekende, kon de afleiding brui ‘slaan, klap’ ontstaan, zoals in een brui of slag van de meulen ‘een klap van de molen’ [17e eeuw; WNT].

EWN: bruien ww. (gewest.) 'plagen, kwellen; stoten, slaan'; de betekenis 'slaan' (1686)
ANTEDATERING: Ick bruye wel een reys voor je beck 'ik sla je wel eens op je bek' [1642; De Vos, B2r, vs. 350]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruien* [slaan] {bruden [tot vrouw nemen, gemeenschap hebben] 1284; als ‘slaan’ 1686} van middelnederlands bruut (vgl. bruid); de begrippen paren en stoten zijn nauw verwant, vgl. neuken, dat overigens ook ‘zeuren’ en ‘er niets toe doen’ is gaan betekenen, vgl. met er de brui aan geven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bruien ww., met overgang van d > j uit mnl. brūden ‘een bruid beslapen’ (dus eig. ‘tot bruid maken’, zie: bruid), mnd. brūden ‘beslapen, plagen’, ohd. brūten ‘beslapen’, — De bet. ‘kwellen, plagen, foppen’ heeft zich uit die van ‘beslapen’ ontwikkeld, evenals in verneuken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bruien ww., met d-wegval uit mnl. brûden “een vrouw beslapen” (oorspr. “tot bruut maken”; zie bruid): in ’t Nnl. met een belangrijke bet.-uitbreiding zooals die bij zinsverwante woorden meer voorkomt, vgl. voor de bet. “kwellen, plagen, foppen” ndl. verneuken. = ohd. (Notker) brûten “beslapen”, mnd. brûden “beslapen, plagen” (westf. brüen “plagen”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruien o.w., : z. brui.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bruien, ww.: (mest) (op)laden (WLD). Afgeleide betekenis van ‘smijten, gooien, smakken’ (WNT), eveneens afgeleid van ‘een vrouw beslapen’, ook ‘schofferen, plagen’. Door d-syncope uit Mnl. bruden ‘een vrouw beslapen’, van bruut ‘bruid’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bruën ww.: smijten, gooien; plotseling vallen, m.n. neerbruën, ombruën. Door d-syncope < Mnl. bruden ‘een vrouw beslapen’, Vnnl. 1573 bruyen ‘met sijn bruydt vereenigen’, 1686 bruien ‘slaan’ (WNT). Afl. van Mnl. bruut ‘verloofde, bruid, bijslaapster, bijzit’. Het verband tussen ‘coïre’ en dus > ‘stoten, slaan’ is hetzelfde als bij neuken, nl. ‘stoten’ > ‘coïre’, maar dus in omgekeerde zin. Het betekenisverband tussen ‘slaan’ en ‘gooien’ blijkt ook uit smijten ‘slaan, gooien’. Afl. neerbruën ‘neergooien’, om(me)bruën ‘met een smak omvallen, omgooien’.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bruien. Als honende verwensing kent het WNT brui je moêr ‘beslaap je moeder’. De betekenis van deze verbinding was oorspronkelijk ‘laat mij met rust’. Waarschijnlijk gebruikte een vrouw, na door een man lastiggevallen te zijn (?), de uitdrukking. Als verwensing betekent zij zoiets als ‘loop naar de duivel’. Aansluiting kan gezocht worden bij het werkwoord bruiden ‘beslapen’, ‘verkrachten’. Het WNT geeft geen citaten meer van na de 17de eeuw. Zeventiende-eeuws zijn ook de verwensingen brui naar, voor den droes! ‘loop naar de duivel’ en brui van hier uit! ‘maak dat je wegkomt’.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bruien, waarsch. het zelfde woord als mnl. bruden, tot bruid maken, beslapen, schoffeeren; daarna = mishandelen, plagen, slaan, smijten, ruw neervallen, snel heengaan, en nog tal van andere min of meer daarmede synonieme werkw.; v. Rusting, Werken 1, 10: “Bruitje Moer”; v. Paffenrode 182: “Wat bruy jyme! je bent selver dronken”; Langendijk 2, 73: “Wat bruid me Roelant, met jou hiele ridderschap”; v. Effen, Speet. 4, 224: “Dat het beest aan d’eene kant en ik aan d’ander teugens de grond bruiden”; Langendijk 1, 475: “Brui aan den wind, jou hangebast”; v. Lennep, KI. Zevenst. 3, 202.: “Brui naar de pomp!”. Ook in versterkten vorm brussen voor brudsen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bruien ‘slaan; plagen’ -> Duits abgebrüht sein ‘gewiekst; ongevoelig’; Zweeds bry ‘zich plagen met; zich het hoofd over iets breken, moeite doen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal