Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruidegom - (man van de bruid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bruidegom zn. ‘man van de bruid’
Onl. brudegomo [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. brudegoem [1293; CG I, 1921], -gome.
Het eerste woorddeel is → bruid. Het tweede deel -gom betekent ‘mens’.
Os. brūdigumo (mnd. brudegam); ohd. brūtigomo (nhd. Bräutigam); ofri. breidgoma (nfri. brêgeman (< breidgeman?), breugeman); oe. brȳdguma (me. bridegome; ne. bridegroom, beïnvloed door groom ‘jonge man’); on. brúðgumi (nzw. brudgum ‘bruidegom’). Het tweede woorddeel is afkomstig uit pgm. *guman- ‘man’: os. gumo; ohd. gomo; oe. guma; on. gumi (nzw. gumme ‘oude man’); got. guma.
Het Gotisch heeft een andere samenstelling: bruþfaþs ‘jonge echtgenoot’, waarin faþs verwant is met pie. *potis ‘meester’. In het Oudnoords komt naast brúðgumi ook bruðmaðr ‘bruiloftsgast, bruidegom’ voor (waaruit Normandisch brumen).
Het tweede woorddeel, pgm. *guman-, is buiten het Germaans verwant met: Latijn homō (zie → hommage); Oudpruisisch smoy; Oudlitouws žmuõ ‘mens (als aards, niet-hemels wezen)’ (Litouws žmogùs); bij de wortel pie. hem- ‘aarde’ (IEW 414). Het woord betekent dus oorspr. ‘aardebewoner’. Bij deze wortel, die wrsch. vereenvoudigd is uit *dhǵhem-, horen verder ook: Latijn humus ‘grond, aarde’ (zie → humus); Grieks khthṓn ‘aarde, grond, land’ (zoals in → allochtoon en → autochtoon); Sanskrit kṣam- ‘aarde’; Oudpruisisch semme, same; Litouws žẽmė; Oudkerkslavisch zemlja; Oudiers du; Albanees dhe; Hittitisch tēkan; Tochaars A tkam; Tochaars B kem.
Ook in de Vlaamse vorm reuzegom ‘reus’ (bekend uit een oud volkslied dat begint met ‘Al wie daar zeit de reus die komt’) komt het element -gom voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruidegom* [in ondertrouw opgenomen man] {oudnederlands brudegomo 901-1000, middelnederlands brudegome} voor het eerste lid vgl. bruid, voor het tweede oudsaksisch gumo, oudhoogduits gomo, oudengels guma, oudnoors gumi, gotisch guma [man]; buiten het germ. latijn homo [man, mens], verwant met humus [aarde, oorspr. aardbewoner, i.t.t. hemelbewoner], vgl. Adam.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bruidegom

De moeilijkheid van dit woord zit in de staart: het woord gom komt alleen in deze samenstelling voor en betekent man. De bruidegom is dus eenvoudig de man van de bruid. Een ander oud woord, dat hetzelfde betekent als man, is het woord weer. Wij kennen het nog in weerwolf. Dat is, volgens oud volksgeloof, een man die zich ’s nachts in een wolf veranderde. (zie dat woord).

Nu wij het toch over een bruidegom hebben, moet ook het woord bruiloft even worden verklaard. Loft hangt samen met lopen en het woord herinnert aan het oeroude gebruik dat de aanstaande man zijn bruid moest roven van haar ouders en met haar moest vluchten, achtervolgd door haar vader en broers. Werden de gelieven ingehaald, dan was de bruid-loop mislukt en ging het huwelijk niet door.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bruidegom znw. m., mnl. brūdegome ‘bruidegom, pasgehuwde man’, onfrank. brūdegomo, os. brūdigumo, ohd. brūtigomo, ofri. breidgoma, oe. brȳdguma (ne. bridegroom vervormd naar groom ‘jonge man’), on. brūðgumi ‘bruidegom, pasgehuwde man’. Daarnaast staat got. brūþfaþs ‘jonge echtgenoot’. Het woord schijnt dus relatief jong (na de trek der Goten uit Skandinavië?) en bevat als 2de lid het germ. woord *guman: os. gumo, ohd. gomo, oe. goma, on. gumi, got. guma. — lat. homo ‘mens, man’, lit. žmuò, opr. smoy ‘man’, dat verder behoort tot lat. humus ‘grond, bodem’, gr. chamaì ‘op de grond’, chthṓn ‘aarde’, oi. kṣās, toch. A tkaṃ, B. keṃ, osl. zemlja, lit. žë̄mi, opr. semme, same (IEW 414-6 en vooral Benveniste BSL 38, 1937, 143). De mens is dus ‘de aardse’, in tegenstelling tot de hemelse machten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bruidegom, bruigom znw., mnl. brûde-gōme m. “bruigom, (jonge echtgenoot)”. = onfr. brûdegomo, ohd. brûtigomo (nhd. bräutigam), os. brûdigumo, ofri. breidgoma, ags. brŷdguma (eng. bridegroom vervormd naar groom “jonge man”), on. brûðgumi m. “id.” ’t Got. heeft brûþfaþs m. “jonge echtgenoot”. Germ. *ʒuman-, ohd. gomo, os. gumo, ags. got. guma, on. gumi m. “man” lautet ab met oudlat. hemo > lat. homo “mensch” en met lit. żmů̃ “id.”: van idg. *ĝðhem- “aarde” (lat. humus, gr. khthōn, obg. zemlja, lit. że͂mė, alb. ðe, oi. kṣā́ḥ. “aarde” resp. “grond, aardbodem”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bruidegom. Het is bijzonder hachelijk om de idg. grondvorm te reconstrueren, waarop lat. humus, gr. khthṓn, obg. zemlja enz. berusten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruidegom m., Mnl. brudegome, Onfra. brûdegomo, Os. brûdigomo + Ohd. brûtigomo (Nhd. bräutigam), Ags. brýdguma (Eng. bridegroom), On. brúdgumi (Zw. brudgum. De. brudgom): het tweede lid is Go. guma = man, On. gumi, Ags. guma, Os. gumo, Ohd. gomo + Lat. homo (Fr. homme), Opr. smoy, Lit. zmů, afgel. van Idg. wrt. ghem = aarde: Zend zemo = ter aarde. Gr. khamaí = ter aarde. Lat. humus, Osl. zemlja = aarde. De bet. is aardbewoner, tegenover hemelbewoner.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bruidegom s.nw.
Man op sy troudag.
Uit Ndl. bruidegom (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. bruidegom is 'n samestelling van bruid en 'n woord wat in Goties guma 'man' is, wat ten nouste verwant is aan Latyn homo 'man, mens'. Ndl. bruidegom beteken dus lett. 'man van die bruid'.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

broekom zn. m.: bruidegom. Door d-syncope uit Mnl. brudegoom, brodegoom, brudecom ‘bruidegom’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

breugeman, breugman, breurman bruidegom (Groningen, Drente, Staphorst). Pleonastische uitbreiding van bruidegom, dat zelf een samenstelling is van bruid + * gom (= got. guma ‘man’, ablautend verwant met fr. homme ‘mens’ ‹ lat. homo ‘mens’).
DB XII 127.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Brui(de)gom, mnl. brudegome, samengesteld uit bruid en gom, got. guma, man, verwant met lat. homo, dus = bruidsman. Dit zelfde woord gom vindt men waarsch. terug in het Vlaamsche reuzegom, benaming voor de groote reuzepop, die in optochten werd rondgevoerd, nog over in oude liedjes als Reuzelied, met het refrein: “Keere weêrom, Reusken, Reusken, Keere weêrom, Reuzegom!” (Ned. Liederb. Willems). I, No. 34; Liederb. Gr. Ned. III, 159.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bruidegom, letterlijk: man der bruid. (Man is n.1. in ’t Got. guma, in ’t Lat. homo.) De afl. van bruid is onzeker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bruidegom ‘in ondertrouw opgenomen man’ -> Frans dialect † brudegom ‘verloofde’; Ambons-Maleis broigom, buidegom ‘in ondertrouw opgenomen man’; Kupang-Maleis broidegom ‘in ondertrouw opgenomen man’; Menadonees broidegom ‘in ondertrouw opgenomen man’; Ternataans-Maleis broidegom ‘in ondertrouw opgenomen man’; Negerhollands bruidigom, brydgom ‘in ondertrouw opgenomen man’; Papiaments brùidehòm (ouder: bruidegom) ‘in ondertrouw opgenomen man’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bruidegom* in ondertrouw opgenomen man 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑hðem-, g̑hðom-, Gen.-Ablativ g̑h(ð)m-és ‘Erde, Erdboden’, aus der Schwundstufe entwickelte sich g̑hm-, von wo der einfachere Anlaut g̑h- auch auf hochstufige Formen übergriff (über die ai. Anlaute jm-, gm- neben kṣm- vgl. Johansson Xenia Lideniana 1912, S. 116-126)

Vgl. zum Anlaut noch Wackernagel Ai. Gr. I 129, 241, §§ 109, 209bγ, III 241 ff., Schwyzer Gr. Gr. I 326, 631, 10, Benveniste BSL. 38, 139 ff., Specht Dekl. 241.
Ai. St. kṣam-, Nom. Sg. kṣā́ḥ (= av. zā̊) f. ‘Erde, Erdboden’ (Akk. kṣām = av. ząm; Lok. kṣámi und *kṣām, wenn kṣā́man aus dieser Form mit Postposition *en ‘in’ zu erklären ist, vgl. ai. pári-jman ‘rings auf der Erde’; Instr. jmā́; Gen. jmáḥ, sekundär gmáḥ, kṣmáḥ); kṣámya-ḥ ‘auf der Erde befindlich, irdisch’;
av. zā̊, Akk. ząm, Lok. zǝmē, Gen. zǝmō ‘Erde, Erdboden’;
gr. χθών f. ‘Erdboden’ (*χθώμ; danach mit ν auch Gen. χθονός, χθόνιος ‘unterirdisch’ usw.), χαμαί ursprüngl. ‘zur Erde hin’, dann auch ‘auf der Erde’ (bis auf die andere Vokalstufe = apr. semmai ‘nieder’ und vermutlich auch = lat. humī ‘zu Boden’), χαμᾶζε ‘zur Erde nieder’, χαμηλός ‘niedrig’, χθαμαλός ‘niedrig’ (: lat. humilis), vielleicht νεο-χμός ‘neu, unerhört (auf der Erde?)’;
phryg. ζεμελω (thrak. Σεμέλη) ‘Mutter Erde’ (?), auch phryg. ζέμελεν· βάρβαρον ἀνδράποδον Hes. (vgl. russ. čelovek ‘Mensch’ und ‘Diener’) ; Γδαν Μα ‘Xθών Μᾶ’ kann echt phryg. sein (idg. ē > phryg. ā), gd- : z- wie ai. kṣāḥ : av. zā̊;
alb. dhe ‘Erde’ (= χθών) ; vgl. gr. Δημήτηρ, dor. Δᾱμά̄τηρ, thess. Δαμμάτηρ, äol. Δωμάτηρ; illyr. Δω-, Δαμ- (Pisani IF. 53, 30, 38) aus idg. *g̑ðhō, bzw. Vokat. *gðhom; über Δαμία, Beiwort der Demeter, s. WH. I 321;
lat. humus (aus *homos) ‘Erde, Erdboden’, wahrscheinlich Umformung eines alten Kons.-St.*g̑hom-; daher auch f. wie χθών; humilis ‘niedrig’ (: χθαμαλός); im Osk.-Umbr. *homi-teros, -temos als Kompar. Superl. vom Lok. *homi ‘unten’ (: ai. kṣámi) : osk. hu[n]truis ‘īnferīs’, huntrus ‘inferōs’; umbr. hutra, hontra ‘īnfrā’, Abl. hondomu ‘īnfimō’; umbr. hondu ‘pessumdatō’ aus *hon(d)-tōd; über lat. hūmānus s. unten;
air. , Gen. don ‘Ort, Stelle’ (Pedersen KG. I 89, s. auch unten zu duine; die Entw.von g̑hð zu d- stimmte zu t aus -kþ- in art ‘Bär’ aus erkþos; n statt m wie in χθόνος aus der Vorstufe *dōn - aus *dōm - von verschleppt);
lit. žẽmė, lett. zeme, apr. same, semme ‘Erde’, semmai ‘nieder’ (: χαμαί, s. oben), lett. zem ‘unter’ (wohl Verkürzung des Lok. zemē); lit. żẽmas, lett. zẹms ‘niedrig’;
aksl. zemlja ‘Erde’; dazu auch aksl. zmьja ‘Schlange’ (‘auf der Erde kriechend, χθαμαλός’), zmьjь ‘Drache’.
Dazu Worte für ‘Mensch’ als ‘Irdischer’:
lat. homō, -inis ‘Mensch’, alat. hemō (auch in nēmō ‘niemand’ aus *ne-hemō), Akk. hemōnem; zu humus wohl hūmānus ‘menschlich’, mit unklarem Vokalismus (*hoim- würde zum oí des air. Pl. doíni ‘Menschen’ stimmen, falls hier alter Diphthong vorläge, aber für ein idg. *gðhoim- fehlt jede Wahrscheinlichkeit; s. auch unten); osk.-umbr. *homōn- (Ablautstufe *g̑hom- wie humus, gegenüber lat. hemōn- oder einzeldialektischer Umlaut aus *hemōn-), osk. humuns ‘hominēs’, umbr. homonus ‘hominibus’;
got. guma, aisl. gumi, ags. guma, ahd. gomo ‘Mensch, Mann’, nhd. in Bräuti-gam (idg. *g̑hemon- oder *g̑homon-);
lit. (alt) žmuõ (Daukša m. Akk. žmūnį) ‘Mensch’, heute žmogùs, žmõgus (g-Formans wie in aksl. mǫ-žь) ‘Mensch’, apr. smoy (leg. smoa?), weitergebildet apr. smunents m. ‘Mensch’, smonenawins ds., und smūni f. ‘Person’, lit. žmonà f. ‘Frau’, žmónės Pl. m. ‘Menschen’ (Akk. Pl. žmónis dial. aus idg. g̑hmōnens).
Pedersen (KG. I 69, 89, 116, 173) stellt hierher auch air. duine, cymr. dyn, corn. bret. den ‘Mensch’, urk. *doni̯o- aus *g̑hðomi̯o- = χθόνιος, ai. kṣamya-ḥ; das wäre allerdings der einzige Beleg für kelt. ni̯ aus mi̯; es könnte Übertragung des n aus dem Paradigma *dōn ‘Ort, Stelle’ (s. oben) erwogen werden. Doch wäre dann der Pl. air. doíni, nir. daoine ‘Menschen, Leute’ (echter Diphthong) von duine zu trennen; weit wahrscheinlicher wird doíni als *dheu̯eni̯o- oder *dhou̯eni̯o- und duine usw. als tiefstufiges *dhuni̯o- mit got. diwans ‘sterblich’ verbunden (s. *dhu̯en- unter dheu- ‘sterben’); unwahrscheinlich Borgström NTS. 12, 83 f.;
toch. A śom ‘Bursche, Jüngling’, В śaumo, Pl. śāmna ‘Mensch’ (: lat. hemōnem); s. Pedersen Tochar. 107 f.;
hitt. te-e-kan (tegan), Gen. tagnās ‘Erde’ und toch. A tkaṃ, Gen. tkanis, В keṃ ds. werden durch Metathese aus *g̑(e)ðhom-, *g̑h(e)ðhom (Pedersen Group. 41 f.), dieses aus idg. *dh(e)g̑hom (Kretschmer Gl. 20, 66 f.) erklärt; dagegen mit beachtlichen Gründen Benveniste Mél. Van Ginneken 193 ff.; eine Wurzel *dhegh- setzt auch Specht Dekl. 241 an; ich würde die hitt. und toch. Formen mit Benveniste lieber fernhalten.

WP. I 662 ff., WH. I 654 f., 663 ff., 869, Trautmann 369.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal