Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brouwen - (met een huig-r spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brouwen 2 ww. ‘de r achter in de keel uitspreken’
Vnnl. brouwen ‘de r op bepaalde wijze uitspreken’ [1691; WNT]; daarnaast komt in dezelfde betekenis brijen voor: nnl. breyen [1717; WNT].
Dit woord komt alleen voor in het Nederlands en is een klanknabootsing, zoals ook bijv. Engels burr ‘brouwen’. De verklaring dat het woord is afgeleid van het zn.brij en dus iets zou betekenen als ‘spreken (als) met een mond vol pap’, zoals de meeste etymologische woordenboeken voorstellen, is pseudo-etymologisch.
Fries heeft brijkje; Afrikaans bry.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brijen* [met een huig-r spreken] {breyen 1717} variant van brouwen2.

brouwen2* [met een huig-r spreken] {1691} wordt verklaard door te wijzen op de uitdrukking ‘praten alsof men brij in de mond heeft’; dial. nevenvormen zijn brijen, breien, dus van brij.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brouwen 2 ww., van uitspraak der r, daarnaast in dial. nl. (fries, gron., en elders) brijen, breien. Zal wel een afleiding zijn van brij, dus eigenlijk ‘spreken alsof men pap in de mond heeft’ (v. Haeringen, Suppl. 26). Het woord, dat eerst laat optreedt, moet dan een min of meer onomatopoëtische vervorming zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brouwen II (van de r-uitspraak gebruikt), nog niet bij Kil. Brouwen en brijen, breien (fri., gron., Kamp., vel., Sliedrechtsch) kunnen beide op *brîwan teruggaan evenals spouwen, spijen op *spîwan (zie spuwen). Dit *brîwan is een onomatopoëtisch woord, misschien onder invloed van brij opgekomen: voor de bet. vgl. dr. breien “met vollen mond onduidelijk spreken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

brouwen II (van de r-uitspraak). Het is beter, voor dit laat overgeleverde woord niet uit te gaan van een *brîwan, maar het te beschouwen als een jong denominatief van brij, resp. de uit de casus obliqui voortgekomen nevenvorm brouw (zo Ndl. Wdb.). Vgl. de zeer verbreide uitdr. ‘praten of men brij in de mond heeft’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brouwen 2 ono.w. (brijen) = brij maken, dan zoo spreken dat men aan ’t brij roeren doet denken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brouwen ‘met een huig-r spreken’ -> Zuid-Afrikaans-Engels brei, br(a)y ‘met een huig-r spreken’ ; Papiaments dialect brou ‘met een huig-r spreken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brouwen* met een huig-r spreken 1691 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut