Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brouwen - (bier bereiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brouwen 1 ww. ‘(bier) bereiden’
Mnl. bruwen ‘bier bereiden’ [1288; CG I, 1333], brouwen ‘bier bereiden’ [1400-20; MNW-R], brouwen ‘(twist) stoken’ [1437; MNW-P].
Os. breuwan (mnd. bruwen, browen); ohd. briuwan (mhd. briuwen, bruwen; nhd. brauen); ofri. briuwa (nfri. brouwe); oe. breowan (ne. brew); on. *bryggja (sterk ww.; alleen geattesteerd als verl.deelw. bruggin), brugga (zwak ww.) (nzw. brygga); < pgm. *breuwan-. In het Nederlands ontwikkelt de combinatie -euw- zich tot -ouw- (zie → rouw).
Verwant met: Latijn dēfrutum ‘gekookte most’, fermentum ‘gist(ing), bier’, fervēre, fervere ‘koken, zieden’ (zie → fervent); Thracisch brūtos ‘soort gerstebier, most’; Russisch bruit' ‘krachtig stromen’; Middeliers berbaim ‘ik zied’, bruithid ‘hij kookt’; bij de wortel pie. *bhreuh1-, met metathese uit de wortel pie. *bhreh1u- ‘zich heftig bewegen, zieden’ (IEW 132-3).
brouwer zn. ‘biermaker’. Mnl. brouwere ‘brouwer’ [1284; CG I, 1003], bruwere. Afleiding van het werkwoord.

EWN: brouwen 1 ww. '(bier) bereiden' (1288*)
ANTEDATERING: bruwen 'bedenken, beramen' [1290; VMNW] (1288*)
Later: gebrouwen '(bier) bereid' [1334; iMNW saisoen] (EWN: 1400-20)
{* De datering van de eerste attestatie in het EWN wijzigen in: [1288-1301; VMNW].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brouwen1* [bier bereiden] {brouwen, brauwen 1284} oudsaksisch breuwan, oudhoogduits briuwan, oudfries briuwa, oudengels breowan, oudnoors brugga; buiten het germ. latijn fervēre [koken, zieden], grieks bruton [gegiste gerstedrank], eig. een thracisch leenwoord middeliers berbaim [ik zied]; de grondbetekenis is ‘zieden’; verwant met brood, born, branden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brouwen 1 ww. ‘bier bereiden’, mnl. brouwen, bruwen, os. breuwan, ohd. briuwan (nhd. brauen), mnd. brūwen, browen, ofri. briūwa, oe. brēowan (ne. brew), on. *bryggja (alleen overgeleverd deelw. brugginn, naast het zw. ww. brugga). — idg. verwante woorden zie onder: brood. — Bij de idg. wt. *bh(e)reu ‘zich heftig bewegen, koken’, evenals branden en bron.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brouwen I (bier br.), mnl. brouwen, brûwen, sterk ww. = ohd. briuwan (nhd. brauen), os. breuwan, mnd. brûwen, browen, ofri. briûwa, ags. brêowan (eng. to brew), (on. verl. deelw. brugginn) “brouwen”, germ. *ƀreuwanan. Van de bij branden, bron en brood besproken basis bhre-u-, bhre-we-. Voor mnl. brû, zie bij brij. Vgl. nog buiten ’t Germ. het nomen actionis ier. bruith “het koken” (*bhru-ti-). Of mhd. brûne v. “vrouwelijk schaamdeel”, oi. bhrûṇá- “embryo” hierbij hooren, is onzeker (eer bij borst I); van russ. brujá “strooming”, bruját’ “stroomen” is het waarschijnlijker, voor de bet. vgl. bruisen; misschien ook lit. briáutis “naar voren dringen” e.a. balt. slav. woorden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brouwen 1 o.w. (mengen, bier maken), Mnl. brouwen, bruwen, Os. breuwan + Ohd. briuwan (Nhd. brauen), Ags. bréowan (Eng. to brew), Ofri. briúwa, On. brugga (Zw. brygga, De. brygge) + Lat. defrutum = gekookte most, Gr. brûton = vruchtenwijn, Oier. bruthe = brij: Idg. wrt. bhreṷ(z. brood).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2brou ww.
1. Bier of ander mengsels maak. 2. Iets slegs veroorsaak, heimlik beraam, skep. 3. Koffie maak van ou koffiemoer deur weer kookwater daarop te gooi. 4. Knoeiwerk verrig, afskeep.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. brouwen (al Mnl.). Bet. 3 en 4 het in Afr. self ontwikkel, in bet. 3 mntl. omdat die kook van koffiemoer aan die brou van bier en ander deurmekaar mengsels herinner, en in bet. 4 mntl. omdat knoei- of afskeepwerk aan die hergebruik van koffiemoer herinner wat flouer, onvars koffie lewer. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 en 2 in Patriotwoordeboek (1902).
D. brauen (13eeu), Eng. brew (ongeveer 893).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Brouwen (bier br.), van den Idg. wt. bhru = koken, brouwen; ook brood zou van dezen wortel komen, evenals brij, dat ook brouw genoemd werd en het stamwoord is van brouwen (een keel-r spreken) n.1. zóó, alsof men den mond vol brij had.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brouwen ‘bier bereiden’ -> Frans dialect brouwekin, brouquin ‘bier’; Negerhollands brou, brau ‘overkoken’; Papiaments brou ‘roeren, mengen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brouwen* bier bereiden 1284 [CG I2, 1003]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut