Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brooddronken - (overmoedig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brood zn. ‘gebakken deeg’
Onl. in de samenstelling oveliebroet ‘misbrood, ouwel’ [12e eeuw; GN], broet ‘brood’ [1220-40; CG II, Aiol], sonder brods ‘zonder brood’ [ca. 1237; CG I, 28], brot [1253; CG I, 46].
Herkomst niet zeker. De gebruikelijke verklaring is verwantschap met de wortel van het werkwoord → brouwen 1, maar ook verband met een Proto-Germaans werkwoord *breutan- ‘breken’ wordt voorgesteld.
Het woord is in elk geval algemeen Germaans: os. brōd; ohd. brōt (nhd. Brot); ofri. brād (nfri. brea); oe., ne. bread; on. brauð (nzw. bröd, nijsl. brauð); krimgot. broe; < pgm. *brauda- ‘gezuurd brood’. Verband met het werkwoord brouwen wordt ondersteund door o.a.: ohd. brod ‘saus’ (< Oudfrans breu); oe. broð (ne. broth ‘brouwsel, soep’); on. broð ‘saus’. Verband met pgm. *breuten- ‘breken’ (Kluge) (waaruit met oe. brēotan; on. brjóta) is gebaseerd op oe. bread ‘stuk, fragment; stuk brood’ betekent [10e eeuw]. De oorspr. betekenis van pgm. *brauda- zou dan ‘stuk, fragment’ kunnen zijn, en via ‘een stuk brood’ later ook ‘(de substantie) brood’ zijn gaan betekenen (vergelijk ook Duits Brosam ‘kruimel’, dat mogelijk stamt uit pgm. *brut-s-mo ‘kruimel’, dat bij hetzelfde werkwoord behoort). Er bestond echter al vroeg een zn. oe. bēo-brēad ‘bijenvoedsel’ (soms ook ‘honingraat’); in het ohd. komt eenmaal bībrōt ‘honingraat’ voor, evenals (ook eenmaal) os. bībrōd ‘id.’. Dit alles lijkt eerder op een betekenis ‘voedsel’ dan ‘stuk, fragment’ te wijzen, waarbij de betekenisontwikkeling dan is geweest van ‘voedsel, brood in het algemeen’ naar ‘een bepaalde hoeveelheid voedsel, een brood’.
Als brood bij de stam van het werkwoord brouwen hoort, is het wrsch. verwant met Thracisch brũtos, brũton, broũtos ‘soort gerstebier, most’; Iers bruthe ‘saus’; bij de wortel pie. *bhrh1u- ‘gisten’ (> *broh1u-tom ‘door gisting bereiden’).
brooddronken bn. ‘overmoedig’. Mnl. in de persoonsnaam Brodroncken [1344; WNT]; vnnl. broodtdroncken ‘schaamteloos, uitgelaten’ [1573; Thes.], ‘dartel, wulps’ [ca. 1600; WNT]; nnl. brooddronken ‘spilziek’ [1717; WNT]. Samengestelling met het bn.dronken. De oorspr. betekenis was ‘verzadigd met brood’, zoals ook in de Middelnederlandse uitdrukking zatheid des broods ‘brooddronkenheid’ [15e eeuw; MNW]. Later kreeg het woord de bijbetekenis ‘overmoedig (door overvloed)’. De exacte betekenisontwikkeling is niet duidelijk. In dezelfde betekenis verschijnt ook broodzat, bijv. in een hoop broodzatte huichelaren [1727; WNT]. Mogelijk speelt het idee dat men verzadigd is met alledaags eten en nu meer wil, een rol. ♦ broodmager bn. ‘zeer mager’. Nnl. broodmager ‘id.’ [1784-85; WNT]. Afgeleid van de uitdrukking zo mager als brood [1731-35; WNT] in de betekenis van ‘brood zonder beleg’.
Lit.: G. Komrij (ed., 1994) De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige bladzijden, Amsterdam, 222-224

EWN: ♦ broodmager bn. 'zeer mager' (1784-85)
ANTEDATERING: broodmager [1736; Abraham a Sancta Clara 3, 309]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brooddronken* [overmoedig] {broodtdroncken [idem] 1573} van middelnederlands bro(e)de [jus, vleesnat], ablautend bij brood, vgl. italiaans brodo [vleesnat] + dronken. In me. lat. betekende brodium biersoep, bouillon.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brooddronken bnw. De vertaling van Plantijn ‘yvre de soupe’ wijst er op dat het 1ste lid niet het woord ‘brood’ zal zijn, maar het woord mnl. brōde, broede ‘vleesnat’, ohd. prŏd., oe. brŏð (ne. broth) on. brŏð ‘soep, slobberkost’ (> ofra. breu ‘vleesnat’, ital. brōdo vleesnat’, broda ‘soep’), vgl. nog het woord brodium, dat in de ME universitaire kringen voor ‘biersoep’ gebruikt werd. Het woord staat in ablaut naast brood en zal eigenlijk een ‘gegiste drank’ betekend hebben (zie J. W. Muller, Ts. 50, 1931, 312-4).

Deze verklaring bevredigt meer dan die van G. Weitzenböck, Ts. 50, 1931, 43-44, die aan het gebruik herinnert, brood in alkohol te drenken, vgl. mhd. mern, meren ‘brood in wijn of water week maken’. — Bezoen, Taaltuin 3, 1934-5, 282 herinnert aan de fra. uitdrukking ivre comme une soupe en wil het woord verklaren als ‘dronken als (in wijn gedoopt) brood’. Zou men dan niet veeleer ‘brood’ moeten opvatten als het hierboven genoemde mnl. brōde ?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brooddronken bnw. Een semantisch vreemde samenstelling van brood en dronken, die al in 1344 te Yperen als eigennaam voorkomt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

brooddronken. Volgens G. Weitzenböck Tschr. 50, 43 vlg. zou deze samenst. herinneren aan het gebruik — nog in Oostenrijk in zwang — om brood met wijn te drenken of daarin te weken. Vgl. ook nog Tschr. 53, 88 vlg. en Bezoen Taaltuin 3, 282. — Muller Tschr. 50, 313 gist, dat het eerste lid zou zijn een mnl. *brot(d) (*brōde?) = ohd. prod, ags. broð, on. broð o. ‘saus’ (zie bij brood), dat verlatijnst is tot mlat. brodium, in de Teuth. gebruikt als vertaling van byrsop, byrbroot ‘biersop’, en eerst secundair als brood opgevat. Plantijn vertaalt brooddronken met ‘yvre de soupe.’

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brooddronken bijv., vergel. de broodkruimels steken hem en Hgd. ihn sticht der haferkitzel, waarmede men den staat van opgewondenheid aanduidt van een paard dat te veel haver krijgt, en overdrachtelijk van een persoon die het te wel heeft.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

brooddronk b.nw.
Uitgelate, baldadig, oormoedig.
Uit Ndl. brooddronken (Mnl. brootdronken), mntl. so genoem omdat iemand wat versadig of 'dronk' is van brood geen gebrek ken nie en dus kan bekostig om uitgelate, baldadig of oormoedig te wees. Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die vorm brooddronken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brooddronken ‘overmoedig’ -> Duits dialect brotdrunken ‘baldadig, overmoedig; overvloedig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brooddronken* overmoedig 1573 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut