Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brood - (gebakken deeg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

EWN: ♦ broodmager bn. 'zeer mager' (1784-85)
ANTEDATERING: broodmager [1736; Abraham a Sancta Clara 3, 309]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

brood zn. ‘gebakken deeg’
Onl. in de samenstelling oveliebroet ‘misbrood, ouwel’ [12e eeuw; GN], broet ‘brood’ [1220-40; CG II, Aiol], sonder brods ‘zonder brood’ [ca. 1237; CG I, 28], brot [1253; CG I, 46].
Herkomst niet zeker. De gebruikelijke verklaring is verwantschap met de wortel van het werkwoord → brouwen 1, maar ook verband met een Proto-Germaans werkwoord *breutan- ‘breken’ wordt voorgesteld.
Het woord is in elk geval algemeen Germaans: os. brōd; ohd. brōt (nhd. Brot); ofri. brād (nfri. brea); oe., ne. bread; on. brauð (nzw. bröd, nijsl. brauð); krimgot. broe; < pgm. *brauda- ‘gezuurd brood’. Verband met het werkwoord brouwen wordt ondersteund door o.a.: ohd. brod ‘saus’ (< Oudfrans breu); oe. broð (ne. broth ‘brouwsel, soep’); on. broð ‘saus’. Verband met pgm. *breuten- ‘breken’ (Kluge) (waaruit met oe. brēotan; on. brjóta) is gebaseerd op oe. bread ‘stuk, fragment; stuk brood’ betekent [10e eeuw]. De oorspr. betekenis van pgm. *brauda- zou dan ‘stuk, fragment’ kunnen zijn, en via ‘een stuk brood’ later ook ‘(de substantie) brood’ zijn gaan betekenen (vergelijk ook Duits Brosam ‘kruimel’, dat mogelijk stamt uit pgm. *brut-s-mo ‘kruimel’, dat bij hetzelfde werkwoord behoort). Er bestond echter al vroeg een zn. oe. bēo-brēad ‘bijenvoedsel’ (soms ook ‘honingraat’); in het ohd. komt eenmaal bībrōt ‘honingraat’ voor, evenals (ook eenmaal) os. bībrōd ‘id.’. Dit alles lijkt eerder op een betekenis ‘voedsel’ dan ‘stuk, fragment’ te wijzen, waarbij de betekenisontwikkeling dan is geweest van ‘voedsel, brood in het algemeen’ naar ‘een bepaalde hoeveelheid voedsel, een brood’.
Als brood bij de stam van het werkwoord brouwen hoort, is het wrsch. verwant met Thracisch brũtos, brũton, broũtos ‘soort gerstebier, most’; Iers bruthe ‘saus’; bij de wortel pie. *bhrh1u- ‘gisten’ (> *broh1u-tom ‘door gisting bereiden’).
brooddronken bn. ‘overmoedig’. Mnl. in de persoonsnaam Brodroncken [1344; WNT]; vnnl. broodtdroncken ‘schaamteloos, uitgelaten’ [1573; Thes.], ‘dartel, wulps’ [ca. 1600; WNT]; nnl. brooddronken ‘spilziek’ [1717; WNT]. Samengestelling met het bn.dronken. De oorspr. betekenis was ‘verzadigd met brood’, zoals ook in de Middelnederlandse uitdrukking zatheid des broods ‘brooddronkenheid’ [15e eeuw; MNW]. Later kreeg het woord de bijbetekenis ‘overmoedig (door overvloed)’. De exacte betekenisontwikkeling is niet duidelijk. In dezelfde betekenis verschijnt ook broodzat, bijv. in een hoop broodzatte huichelaren [1727; WNT]. Mogelijk speelt het idee dat men verzadigd is met alledaags eten en nu meer wil, een rol. ♦ broodmager bn. ‘zeer mager’. Nnl. broodmager ‘id.’ [1784-85; WNT]. Afgeleid van de uitdrukking zo mager als brood [1731-35; WNT] in de betekenis van ‘brood zonder beleg’.
Lit.: G. Komrij (ed., 1994) De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige bladzijden, Amsterdam, 222-224

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brood* [voedsel uit deeg] {bro(o)t 1220-1240} oudsaksisch brōd, oudhoogduits brōt, oudfries brād, oudengels bread, oudnoors brauð; de grondbetekenis is ‘gisten’; verwant met brouwen1born, branden. De uitdrukking van brood alleen kan de mens niet leven [de mens heeft ook behoefte aan hogere zaken] is ontleend aan Mattheus 4:4 De mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat door de mond Gods uitgaat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brood znw. o., mnl. broot, os. brōd, ohd. brōt, ofri. brād, oe. brēad, on. brauð. — > fra. brode ‘wit brood van tarwe en rogge’ (pain de brode 1483, vgl. Valkhoff 76). — Met dit woord wordt het gezuurde brood aangeduid, vgl. lat. defrutum ‘gekookte most’, thrac. brũtos, brũton, broũtos ‘soort van gerstebier, most’ en met een ander formans iers bruthe ‘saus’. — Idg. wt. *bhru ‘door gisting bereiden’ (Falk ANF 41, 1925, 117-8); dit behoort verder tot de wortel *bhereu waarvoor zie: brouwen 1.

Het gezuurde brood, dat eerst later ingang vond, verving een andere broodsoort, die met het germ. woord *hlaiƀa aangeduid werd, vgl. ohd. hleib, ofri. hlēf, oe. hlāf, on. hleifr, got. hlaifs (waarvoor zie AEW 236).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brood znw. o., mnl. broot (d) o. = ohd. brôt (nhd. brot), os. brôd, ofri. brâd, ags. brêad (eng. bread), on. brauð o. “brood”. In ’t Got. komt alleen hlaifs m. “brood” voor, een alg.-germ. woord. Evenals ohd. prod, ags. broð (eng. broth), on. broð o. “saus” van den wortel bhr-u- “heftig bewegen, gisten, zieden”, waarvan o.a. ook brouwen I, bruisen (zie ook branden). Voor ’t formans, idg. -to-, vgl. lat. dêfrū̆tum “gekookte most”, thrac. brūtos, brūton, broūtos “een soort gerstebier, most” en met langer formans ier. bruthe “saus”. Men ziet wel in germ. *ƀrauða- een jonger woord voor “brood” (: ouder *χlaiƀa): oorspr. bet. “gist van bier”, dan: “gezuurd brood”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brood o., Mnl. broot, Os. brôd + Ohd. brôt (Nhd. id.), Ags. bréad (Eng. id.), Ofri. brád, On. braud (Zw. bröd, De. brød), Go. ontbreekt + Lat. frumentum = koorn, frui = genieten: met suff. -dh van Idg. wrt. bhreṷ, waarnevens wrt. bhreṷg: Lat. fruges en fructus (z. brouwen, bruiken en vrucht). In alle Idg. en ook Semit. talen is de naam van het brood een woord met de algemeene bet. van voedsel, bezit, goed. Steenen voor brood, naar Matth. VII, 9.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

broed (zn.) brood; Aajdnederlands broet <1101-1200>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

brood (het, broden), (ook:) broodje, bijv. puntbroodjë. Een brood van vijf/ één cent boter/ en een kan* suikerwater/ voor het ontbijt (Dobru 1968d: 12). - Etym.: In 1981 gebr. naast ‘broodje’. - Samenst. ook: puntbrood (Pos 1985: 26). Zie ook: bol* (1), stel*.
— : zie ook gevlochten* brood, cassave-*, koren-*, soldaten-* en vormbrood*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

brood en spelen (vert. van Latijn panem et circenses)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het dagelijks brood, (fig.) het dagelijks voedsel, het levensonderhoud.

Brood, als wijdverbreid basisvoedsel, staat in vele talen door alle eeuwen heen ook voor 'voedsel', 'levensonderhoud' in het algemeen. Vaak wordt het ook in de bijbel als zodanig genoemd. Het dagelijks brood is dan ook niet noodzakelijk een exclusief bijbelse uitdrukking, maar de bekende eerste bede in het Onze Vader: 'Geef ons heden ons dagelijks brood' (Matteüs 6:11; zo ook Lucas 11:3, nog in de NBG-vertaling) zal zeker tot de verspreiding hebben bijgedragen. De NBV kent deze uitdrukking niet meer.

Rijmbijbel (1271), v. 22724. Ghef ons dat daghelixe brod. (Geef ons het dagelijks brood.)
Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 6:11. Onse dagelics broot geeft ons heden.
Trek recht uw rug en arbeid voor uw dagelijks brood. (I. Gerhardt, Verzamelde Gedichten, 1980 (Woestijn, 1951), p. 122)
En altijd maar ploeteren op de vette klei voor het dagelijks brood. (N. Schuttevaêr-Velthuys, Wolken met zilveren randen, 1993, p. 96)
De strijd om het dagelijks brood wordt door sluipschutters en artillerie-beschietingen een levensgevaarlijk avontuur. (Journaal, apr. 1993)

Niet bij brood alleen, niet alleen voor het materiële (leven wij).

Al in het Oude Testament (Deuteronomium 8:3) kan men lezen, dat de mens niet alleen van het brood leeft. In de woorden waarin Jezus deze uitspraak citeert in de evangeliën, en dan in de formulering van de Statenvertaling, de mensche en sal by broodt alleen niet leven, is de uitdrukking bekend geworden. Niet alleen het materiële telt, maar ook het geestelijke, het woord van God: 'De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God' (Matteüs 4:4, NBV). De uitdrukking kreeg een nieuwe impuls doordat in 1977 een CDA-rapport onder deze titel verscheen. Er wordt regelmatig gevarieerd op brood: het wordt vervangen door een andere materiële zaak, vaak in een context waar er niet-materiële belangen tegenover worden gesteld. Om de puntige vorm blijkt deze frase geliefd te zijn in krantenkoppen. Schertsenderwijs wordt zij ook gebezigd bij het ronddelen van hapjes en drankjes: niet bij brood alleen, maar af en toe ook iets lekkerders.

Bekendheid van de uitdrukking blijkt ook uit de variaties die erop gemaakt worden, zoals: 'Christiaan, de gezellige, leefde niet alleen bij retorten en kwadranten. Hij toerde door Londen, van de St Paul's in aanbouw tot het paleis in Windsor' (E. Keesing, Constantijn en Christiaan. Verhaal van een vriendschap, 1983, p. 123).
Rijmbijbel (1271), v. 22230-31. Jhesus sprac niet ne leuet die man. / Allene bi den broede dan. (Jezus sprak: De mens leeft niet alleen van het brood.)
Statenvertaling, Matteüs 4:4. De mensche en sal by broodt alleen niet leven, maer by alle woordt, dat door den mont Godts uytgaet.
We leven natuurlijk niet bij brood alleen maar de wereld wordt wel meer en meer gedomineerd door economische factoren. (NRC, juni 1994)
Maar kristen-demokratie is niet een zaak van brood alleen. Het CDA is een waardenpartij. (De Standaard, dec. 1995)
[Kop:] Niet bij beton alleen. De vermaatschappelijking van Rijkswaterstaat. (NRC, 23-5-1998)
Niet bij vlees alleen: New-Age-adepten verklaren de seksuele daad weer 'heilig', een bezielde bezegeling van het verbond tussen man en vrouw. (NRC, 11-6-1999, p. 29; het eerste deel is de kop.)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brood ‘baksel uit gerezen deeg’ -> Frans † pain brode ‘grijsbruin brood’; Portugees brote ‘biscuitje of cracker, gemaakt van tarwemeel’; Gã abollo, modern ook: brodo ‘baksel uit gerezen deeg’ (uit Nederlands of Deens); Ambons-Maleis brot ‘baksel uit gerezen deeg’; Jakartaans-Maleis bot ‘baksel uit gerezen deeg; aankondiging van broodventers dat ze geopend zijn’; Letinees protu ‘baksel uit gerezen deeg’; Menadonees brod ‘baksel uit gerezen deeg’; Creools-Portugees (Batavia) brot, brood ‘baksel uit gerezen deeg’; Creools-Portugees (Malakka) bluda, bruda ‘cake traditioneel gemaakt op Kerstmis’; Negerhollands brood, brōt, brot ‘baksel uit gerezen deeg’; Berbice-Nederlands broto ‘baksel uit gerezen deeg’; Skepi-Nederlands bekelant brot ‘tarwebrood’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brood* baksel uit gerezen deeg 1101-1200 [Tavernier oveliebroot]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

364. Bij gebrek van brood eet men korstjes van pasteien,

d.w.z. bij gemis van eene geringe zaak, waaraan men behoefte heeft, is men genoodzaakt iets van veel meer waarde in de plaats te gebruiken (Tuinman I, 101 en Ndl. Wdb. III, 1541; IV, 479; XII, 728); in schertsenden zin gebezigd.

De zegswijze dateert uit de 17de eeuw; zie Mergh, 7: By gebrek van brood etetmen korsten van pasteyen; Smetius, 217: In plaats van broot, behelpt men sich met korst van pastey; Lichte Wigger (anno 1617), bl. 18:

 L.W. End' alle de glaesen sijn an stick, waer drincken wy dan uit?
 Wa. K' en weet niet. D.I.: dat weet ick wel, dus uit de tuit.
By ghebreck van brood eetmen corsjes van pasteyen.
Laet ons met de riemen roeyen, die wy hebben.

Zie verder Hooft's Brieven IV, 63; Kluchtspel III, 284; Harreb. I, 94; Archief IV, 341 en vgl. Goedthals, 84: Cursten van pasteyen is goet broot, croustes de patez valent bien pain. In 't fri. by brek oan brea yt men wol ris bôle (wittebrood); fr. croûte de pâté vaut bien pain; faute de grives, on mange des merles; hd. hat die Kuh kein Heu, so isst sie Spreu; wenn men kein Brot hat soll man Kuchen essen; eng. if water cannot be had we must make shift with wine; mgri. εν καιρω αναγκης την λαμιαν μητερα καλει, noem in tijd van nood ook de heks moeder; in 't Russisch zegt men: Als men geen visch heeft, is ook de kreeft een vischZie Philologus LXXI, 554..

365. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt,

d.i. men houdt het met hem, kiest de partij van dengeneVgl. mnl. enes wort of tale spreken, iemands partij kiezen., van wien ons bestaan afhankelijk is; eene gedachte die in de middeleeuwen wordt uitgedrukt door men liët (lidet) of hulet metten brodeMnl. Wdb. IV, 515 en 563; III, 735.; in de 17de eeuw in Zuid-Nederland met den broode spreken; bij Sart. IV, 10: die kallen na den broode. Zie Smetius, 108: Wiens brood dat men eet, wiens woord dat men spreekt; Plaiz. Kyv. 9; Tuinman I, 359; Ndl. Wdb. III, 1549; Taalgids V, 185 en vgl. hd. wessen Brot ich esse, dessen Lied ich singe (Wander I, 480; ook bij Breseman, 237), dat overeenkomt met het mlat. cuius enim panem manduco carmina canto; fr. celui louer devons de qui le pain mangeons, de uitdr. is verouderd; eng. who finds my bread and cheese, it's to his tune I dance.

366. Iemand iets op zijn brood (of zijn boterham) geven,

d.w.z. iemand iets verwijten; iemand de schuld geven van iets; eig. hem iets te slikken geven, dat niet lekker is (vgl. een bittere pil). De uitdr. komt in de Middeleeuwen voor in Des Coninx Summe, bl. 159: Ic salt hem noch op sijn broot legghen (betaald zetten); vgl. verder Anna Bijns, Refr. 48: Iets op iemants broot hanghen; in de 17de eeuw: iemand iets op sijn brood leggen (- smijten, - brengen). Zie verder Ndl. Wdb. III, 1542; Tuinman I, 199: Ymand iets op zyn brood schieten, ymand iets schimpswyze verwyten; V. Janus III, 50; Nachtkr. 48; Nest, 54; 100; Lev. B. 95: Anders had ze nog meer op d'r boteram kenne krijge; Bergsma, 73: Ie kriegt 't op oe brootien boas, jij krijgt er de schuld van, mannetje. In Zuid-Nederland kent men naast onze uitdr. ook het iemand op zijn brood smeren (De Bo, 84 b); het iemand in zijn haver mengelen (De Bo, 361); iemands pap boteren (Waasch Idiot. 138 b); iemand iet op zijn brood geven (Waasch Idiot. 147 a; Antw. Idiot 303); iemand zijnen koeke boteren (De Bo, 548 a); iemand iets op zijn brood zetten (Rutten, 41 b); iemand boter op zijn brood geven (Joos, 73); het iemand op zijn brood geven, draaien, lappen, leggen, smeren, iemand ferm berispen, kastijden; iet op zijn brood krijgen, hebben, gekastijd worden, veel verliezen, bedrogen worden, afgeranseld worden (Teirl. 219); iet op zijn brood krijgen (Antw. Idiot. 304)); nd. he givt mi dat up 't Brod to êten; et ênem op 't Botterbrot gêwe (Eckart, 69). In het fri. immen hwet op syn brea lizze; hd. einem etw. in der Suppe zu essen geben; eng. to lay a th. in p's dish. In de 17de eeuw iemand iets in zijn schotel kruimen of leggen (zie Van Vloten, Geschiedz. I, 132; Tuinman I, 105).

370. Van brood alleen kan de mensch niet leven,

d.w.z. ‘de mensch heeft hoogere dan aardsche behoeften, hij moet ook voeding en verkwikking hebben en zoeken voor zijnen geest’ (Zeeman, 115). Deze spreekwijze is ontleend aan Matth. IV, 4; vgl. ook het hd. Der Mensch lebt nicht vom Brot allein.

2329. Lang vasten is geen brood sparen,

uitstel is geen afstel (omdat men na het vasten des te meer eet). Vgl. Campen, 69: lange vasten is ghien broodt sparen; V.d. Venne, 240: Langh vasten is gheen Broot sparen; Tuinman II, 35; Brieven v.B. Wolff, 146: Lang vasten is by my geen broodspaaren, en nu doe ik dien kerfstok eens in eenen af; Harreb. I, 97 a; Ndl. Wdb. III, 1541; fri. lang fêstjen is gjin brea sparjen; oostfri. lank fasten is gên brôd sparen; hd. Fasten (oder lange hungern) is nicht Brot sparen (Wander I, 937); fr. double jeûne, double morceau (verouderd).

2692. (Aanv.) Broodnoodig,

hoognoodig, onmisbaar, naast zoo noodig als brood. Vgl. Jan Saly 1: So noodig van doen hebben as broot inne mont. W. Leev. I. 20: Zo een ziekentrooster zou ik ook gaarne in onze kajuit hebben. Die hebben wy brood noodig; Ndl. Wdb. III, 1539; 1571; De Bo, 190: zoo noodig als brood, volstrekt onontbeerlijk; Antw. Idiot. 303: zoo noodig als brood (in de schapraai); Rutten, 41: Iets zoo noodig hebben als 't brood dat men eet; fri. breanedich, - nodich.

367. Zoete broodjes bakken.

Men bezigt deze uitdr. wanneer iemand zich eerst over het een of ander sterk uitlaat, en naderhand zich gedwee en inschikkelijk toont (Weiland). De eig. bet. is: nadat men iemand iets onaangenaams te slikken heeft gegeven, hem wat lekkers klaar maken, om hem weer goed te stemmen; uit een ander vaatje tappen; vgl. het mnl. vladebackere, eig. koekebakker, fig. bakker van zoete broodjes, pluimstrijker, vleier; 17de eeuw vleibakker. Inde 17de eeuw: kleine (= fijne) broodjes bakken (o.a. in de Gew. Weuw. III, 20); evenzoo in de 18de eeuw in het Boere-krakeel, 157 en 205, en thans nog in Groningen en Drente: smalle, kleine broodjes bakken (Molema, 385 a; Bergsma 73). Voor Zuid-Nederland zie Rutten, 41 b: kleine broodjes moeten bakken, moeten onderdoen; waarnaast: met iemand brookens bakken, meer in vriendschap zien te komen (Schuerm. Bijv. 55 a); platte brooikens bakken (Schuerm. 47 b; Antw. Idiot. 304 en Tuerlinckx, 104); zoete boter spelen (Waasch Idiot. 138 a). Volgens Joos, 71 beteekent ‘zoete broodjes bakken’ bedriegen. In denzelfden zin als onze uitdr. kent men in het Westvl. den zoeting (of zoetingen) schudden, eig. zoete appelen schudden; trachten vrede te maken met iemand, dien men beleedigd of verbitterd heeft (De Bo, 1438). Zie ook Ndl. Wdb. II, 887; III, 1553; Slop, 88; Boefje, 149 en vgl. hd. Süszholz raspeln, Lebkuchen austeilen, übertriebene Artigkeiten (einer Dame) sagen (Schrader, 470).

369. De broodkruimels steken hem.

Dit wordt gezegd van iemand, die de weelde niet kan verdragen, en dartel, baloorig, brooddronken (reeds mnl.), broodvreten (Onze Volkstaal II, 198) wordtVgl. Deuteronomium, XXXII, 16: Jesjurun werd vet en sloeg achteruit (een beeld ontleend aan een vet doorvoed en daardoor dartel geworden rund, dat in zijn overmoed den ploeg niet meer wil trekken).. In de 16de eeuw: die crumen steken hem, o.a. bij Anna Bijns, Refr. 37 en 157: wittebroodskinderen, die de crumen steken. Zie verder Sart. I, 3, 49: Citra vinum temulentus es: de cruijmen steken u; Schrevelius I, 3, 49: de backers kruijmen steken u; Tuinman I, 7: De broodkruimen steken hem: die lekker gevoed, en gemest zyn, plegen dertel en weelderig te worden; II, 35; Coster, 20 vs. 322; Sewel, 423: De broodkruimelen steeken hem (hy is brood-dronken), he is very wanton; Erasmus, XLI; Ndl. Wdb. III, 1570; Bouman, 18; Taalgids IV, 254; Nkr. III, 1 Mei p. 2: Maar u vrienden steken de broodkruimels in de keel. Gij hebt het te goed tegenwoordig; IX, 15 Mei p. 2. Ook in Zuid-Nederland bekend, volgens Joos, 83, waarnaast volgens Tuerlinckx, 340: de korsten steken hem, waarvoor men in Limburg zegt: de broodkorsten steken hem (Welters, 81 en vgl. Onze Volkstaal II, 240). In Zuid-Nederland: 't goe' leven steekt hem of de weelde steekt hem (Teirl. 509); in het fri. de breakrommels, hjouwerkerlen (haverkorrels), groatskerlen (gortkorrels) stikke him. In het hd. der Hafer sticht ihn, eig. van paarden gezegd en daarna van menschen, evenals in het oostfri. de haver stekt (of de haverkorrels steken) hum (Ten Doornk. Koolm. III, 307 a), eene zegswijze, die bij Plantijn staat opgeteekend: de haver int hoot (= hoofd) hebben, adag. estre yvre; ebrium esse, temulentum esse. Vgl. Huygens, Korenbl. II, 131 en eng. he is provender-pricked; amer. he feels his oats.

454. De een zijn dood is de ander zijn brood,

de dood van den een bezorgt een ander een middel van bestaan, doordat hij in diens plaats komt; ook wel in algemeener zin, dat men dikwijls voordeel trekt uit het nadeel van een ander; vgl. lat. lucrum sine alterius damno fieri non potest.; De Brune, 379: 't Verderf van d'een, als nu en dan, ist rijzen van een ander man De zegswijze dateert uit de 16de eeuw; vgl. Trou m. Blycken, bl. 9: Des eens doot is dikwils des anders vrame (voordeel); Tuinman I, 114: Des eenen dood, is des anderen brood, door 't afsterven van den eenen, verkrygt de andere levensmiddelen, door erfenis, door amptvolging, enz.; II, 150; Sewel, 181: De een zyn dood is de ander zyn brood, one's death is another's bread; Ndl. Wdb. III, 2833; Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 2 k. 1; Schuermans, 81 b; Waasch Idiot. 182 b; De Bo, 190 b; Antw. Idiot. 304; 1654; Rutten, 41 b; Teirl. 340: iemands dood es iemands brood; fri.: de iene syn skea (schade) is d'oare syn brea. Ook in het hd. de. zwe. en eng. komt de zegswijze voor. Zie Wander IV, 1235: de ên sîn Dôd is de anner sîn Brot (Eckart, 525; Dirksen II, 20); des einen Tod des andern Brot; eng. what is one man's meat, is another man's poison (niet alles is voor allen hetzelfde) naast one man's breath is another man's death.

933. Iemand uitmaken, dat de honden er geen brood van zouden eten,

< d.w.z. iemand uitschelden voor ‘al wat vuil en leelijk is’. Sedert de 17de eeuw is deze zegswijze bekend, doch in eenigszins anderen vorm; vgl. Winschooten, 146: Iemand uitlugten, dat de honden geen Brood van hem souden willen eeten; bl. 335: Ik heb hem ingeluid, dat de honden geen brood van hem sullen eeten; Brederoo II, 190, vs. 1114: Dirck het Elsje sulcke ontyghe stucken verweten, ick segje dat, een hongt en souwer niet of eten; Tuinman I, 198: Ymand uitmaken, zo dat'er de honden geen brood van zouden willen eeten. Dit drukt uit, ymand op een zeer afschuwelyke en smaadelyke wyze afschilderen, zo dat hy daar door in de uiterste verachting word gebragt, en wel zo verre, dat zelf geen hond hem verwaardigen zoude een stuk broods uit zyne hand te ontfangen. Hier aan is gelyk: Ymand uitmaken voor al dat lelyk is.’ Eenigszins gewijzigd in Haagsche Post 25 Dec. 1920 p. 2113 k. 4: Op de laatste vergadering kreeg de directeur een standje, waar de honden geen brood van eten. Zie Harrebomée III, 145; Ndl. Wdb. III, 1543; VI, 897 en vgl. hd. einen ausmachen, es hätte kein Hund ein Stück Brots von ihm nehmen wollen.

1256. Zijn kost is gekocht,

d.w.z. hij heeft zich of hij is ergens ingekocht, bijv. in een liefdadigheidsgesticht; hij kan onbezorgd zijn; hij behoeft niet bang te zijn voor zijn levensonderhoud, zijn bestaan; syn. van zijn brood is gebakken (Antw. Idiot. 1555); hij heeft den (on)bezorgden kostVgl. Brederoo, Sp. Brab. vs. 55: Dienen dat waer een dingh, so had ik de bezorgde kost. of is bij St. JorisVgl. C. Wildsch. VI, 37: Die zei dat ik mijn kost moest koopen op Sint Joris Hof, of in het Proveniershuis te Haarlem. St. Joris (de H. Georgius) wordt in de middeleeuwen en later vermeld als patroon van gestichten en liefdadigheid. in den kost of te gast, zooals in de 17de eeuw gezegd werd, veelal van verzorgden in liefdadige gestichten, hofjes, enz. (Ndl. Wdb. VII, 442; X, 1157; Winschooten, 243); syn. van eten uit den korf zonder zorg (in Peet, 10). De uitdrukking dateert uit de 17de eeuw en komt voor bij Winschooten, 243; Kluchtspel II, 20; bij V. Eck, 98 in den zin van ‘wij behoeven niet meer voor den kost te zorgen, want we zullen omkomen’: Wij keecken malkanderen met bedroefde oogen aen, denckende dat ons de kost al gekocht wasUit een scheepsjournaal van 1653.; C. Wildsch. VI, 240: Nu je zo met de pen kunt omgaan en ieder aan 't schreien helpen, nu is je kost gekocht; V, 269: En gij deed als een deftig man, en als een Burgemeester voegt, dat gij haar kost kocht; Harreb. I, 442; Mgdh. 51: Als ze 't hier boeren kon, was haar kost gekocht voor 't heele leven; Nkr. VI, 24 Febr. p. 2: Ziezoo Aristides, sprak Theo de jolige, ons kostje is weer voor een paar maanden gekocht; Nw. School III, 335. Vgl. ook Antw. Idiot. 1840: zijn kosten koopen, een kosthuis hebben, ergens in den kost zijn.

1622. Iemand iets onder (of door) den neus wrijven,

d.w.z. iemand iets op onzachte wijze zeggen; hem in bedekte termen verwijtingen doen, iets onaangenaams zeggen; mnl. enen iet onder doghen werpen. Eig. iemand iets onwelriekends onder den neus wrijven (vgl. iemand iets op zijn brood geven, - te slikken geven, - te ruiken geven). De uitdr. kan ontleend zijn aan de gewoonte om honden of katten, die nog niet zindelijk zijn, met hun neus in de uitwerpselen te drukken In de 17de eeuw leest men bij Winschooten, 265: Smijt hem dat voor de scheenen: hetwelk oneigendlijk beteekend: vrijf hem dat eens door de neus; houd hem dat eens voor oogen; Hooft, Brieven, 384: Die hem onder verwe van heusch vermaan, groove onweetenheidt in 't stuk van Staat en Oorlog door den neus wrijft; ook Ned. Hist. 229; 427; bij Pers, 214 b: iemand iets in 't gezicht wrijven. Voor de 18de eeuw vergelijke men R. Ansloo, 128: Dies wryft hy hem veel smaat en laster door de neus; Tuinman I, 199: Ymand iets onder den neus wryven; Sewel, 520: Iemand iets in de neus wryven, to upbraid one with a thing, to twit in the teeth with; Villiers, 86. Synoniem was de uitdr. iemand iets door de tanden wrijven (eng. to hit or to cast) anything in a person's teeth) en iemand iets in den baard wrijven (hd. einem etwas in den Bart reiben); thans dial. iemand iets in zijn murf (mond) wrijven. Ook in het hd. is bekend: einem etwas unter die Nase reiben, waarvoor men in het Fransch zegt: planter, jeter ou plaquer qqch. au nez de qqn; de.: at kaste En Noget i Naesen. In Zuid-Nederland: iemand iet onder zijnen neus wrijven (Antw. Idiot. 1916); iemand iet vègen, iemand iet onder zijnen neus vègen, hem iets in bedekte termen verwijten (Antw. Idiot. 2117); iemand iets door den baard strijken (Joos, 117); iemand iets op den neus geven (Schuermans, 407 b), waarvoor volgens De Bo, 325 b ook gezegd wordt iemand iets door den neus flinken = door den baard wrijven, en iemand een snuifje geven (vgl. Tuinman I, 199: iemand een riekertje geven; fri. immen in rûker jaen) of iemand eene sneuve of sneuven geven; Schuermans, 644; Bijv. 309 a; Waasch Idiot. 457 b; in Antw. iemand laten snuiven. In het Friesch: immen hwet om 'e noas wriuwe.

1890. Een profeet die brood eet

is iemand, wiens voorspellingen weinig beteekenis hebben en geen vertrouwen verdienen. In de 18de eeuw is de uitdr. bekend, blijkens Tuinman I, 326 en Sewel, 652: Het is een propheet die brood eet, he is a false, a sham, a mock prophet; in het Antw. Idiot. 1000: een profeet van roggebrood; in Westphalen: et ies en Profetie, dei Braut ietet (Eckart, 418). Hetzelfde wordt uitgedrukt door een broodetend profeet, een valsche profeet (17de eeuw) of een broodprofeet, een schimpnaam voor iemand aan wiens voorspellingen men geen geloof slaat, Ndl. Wdb. III. 1548; 1565; 1572; VII, 899; fri. dou hest fen 'e moarn in stik brea hawn, gij zijt een broodetende profeet. Volgens Laurillard, 45 en Zeeman, 416 is de uitdr. ontleend aan den Bijbel en wel aan Amos 7, 12, waaruit zou blijken, dat men er in eig. zin onder moet verstaan ‘iemand, die liever dan zijn profetentaak getrouw te vervullen, zijn brood eet, d.i. zijn eigen kost en voordeel zoekt, en dus geen echt profeet mag heeten’. Let men evenwel op Bebel, no. 571 (anno 1508): cacantes prophetae; in hariolos dicitur; Wander II, 466: man glaubt an keinen scheissenden Heiligen (16de eeuw); Pers, 83 a: ‘Sal dese narre, en broot eetent kacker, een Propheet zijn?’ dan komt het me voor, dat we voor de verklaring niet zoo zeer op het broodeten als wel op het cacare moeten letten, en Wander niet ver van de waarheid zal zijn, wanneer hij zegt: ‘wer verehrt werden will, muss nicht versäumen, sich mit einer gewissen, das Publikum bestechenden Glorie zu umgeben; er muss vermeiden, was an menschliche Natur erinnert’Zie nog Ndl. Wab. VII, 899 en vgl. hiermede Harrebomée I, 142: Die van dominé's wil leeren (of: Die de dominé's wil eeren) moet er nimmer meê verkeeren; I, 40: Men moet van een dominé geen beenen zien, men moet een' predikant niet buiten den predikstoel beschouwen; en de fr. uitdr. il n'y a pas de grand homme pour son valet de chambre.. In Dat boeck van den drie coninghen, 66 v (Delf, 1479) komt voor: Ick gelove ghien hilligen oft sy moeten broodt eten; Afrik. die ou profete is dood en die jonges eet brood.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut