Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bron - (wel; oorzaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bron zn. ‘wel; oorzaak’
Onl. brunnon (datief mv.) ‘bronnen’ [10e eeuw; W.Ps.], burne, borne in de plaatsnamen Burnehen ‘Bornem (Antwerpen)’ [1108; Gysseling 1960, 167], Burne ‘Born (Limburg NL)’ [1125; Gysseling 1960, 167]; mnl. born [1236; CG I, 27]; vnnl. by een bronne ‘bij een bron’ [1584; WNT willekomen I].
Os. brunno, ohd. brunno (nhd. Brunnen ‘put’); ofri. burna (nfri. boarne); oe. burna, brunna; on. brunnr (met andere afleiding); < pgm. *brunna- ‘bron, wel’.
Misschien verwant met Grieks phréār (genitief phréatos, phrētós) ‘put, fontein, waterbak, -reservoir’ uit ouder *phrẽwar < pie. *bhrēu-r-/-nt-, dat ook in Armeens ałbewr ‘bron’ (< ałbiwr) zit. De nultrap hiervan, *bhru-n[t], zit misschien in het Germaanse woord. De tweede -n- zou uit de zwakke verbuiging kunnen stammen. Verder is ook Oudiers tipra ‘bron’ (< *toess-bher-ī) verwant. Deze vormen worden wel herleid tot de wortel pie. *bhreu- ‘wild bewegen’ (gezien het wild bewegende, opborrelende water van de bron). De bron zou dus genoemd kunnen zijn naar het wild bewegende, opborrelende water. Alleen het Germaans vertoont echter deze nasaalinfix: *brenw- > *brenn-. EWgsV denkt aan pie. *gwher- ‘warm worden, branden’ waarbij ook Latijn formus ‘warm’ hoort, zie → thermo-. Het zou gaan om een -nw-presens. Het is dan echter niet duidelijk hoe de labiovelaar zich heeft ontwikkeld. Gezien de verwanten in het Latijn en Iers, de nasaalinfix en het betekenisveld moet aan een substraatwoord worden gedacht.
In het Middelnederlands was de vorm met metathese van de -r-, born(e), gebruikelijk, net als nog steeds in het Fries. De Nieuwnederlandse vorm staat onder invloed van Duits Brunnen. In de 17e eeuw raakt born in de schrijftaal verdrongen door bron [1638; WNT].

EWN: bron zn. 'wel; oorzaak' (10e eeuw)
ANTEDATERING: als eerste deel van het toponiem Brunnenuurt [944, kopie 1150-58; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

born* [bron] {oudnederlands brunnon (3e nv. mv.) 901-1000, vgl. de plaatsnaam Burne, nu Born (Nederlands-Limburg) 1125, middelnederlands bronne, borne} in de vorm born zien we metathesis van r; o.i.v. hoogduits Brunnen is deze ontwikkeling weer omgekeerd, zodat thans de normale vorm bron is; vgl. oudsaksisch, oudhoogduits brunno, oudfries, oudengels burna, gotisch brunna, van een i.-e. stam met de betekenis ‘zieden’, waarvan ook branden.

bron [uit de grond opwellend water] {1605} < hoogduits Brunnen, hoewel het woord in het middelnl. al voorkwam (vgl. born).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bron znw. v., in de 16de eeuw onder invloed van nhd. brunnen opgekomen, daarnaast het oudere woord met metathesis mnl. borne, borre, onfrank., os., ohd. brunno, ofri. oe. burna, got. brunna. — Behoort tot de groep van branden en gaat terug op een idg. wt. *bhrēu ‘zich heftig bewegen, koken’. (IEW 144 en H. Kern, Ts. 19, 1901, 105). De bron werd dus genoemd naar het opborrelende water.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bron znw. In de 16. eeuw opgekomen, onder invloed van hd. brunn(en) m., naast den klankwettigen metathesisvorm mnl. borne (borre) m. (v.; in de bet. “bronwater” ook o.), dat nog dial. bestaat. = onfr. ohd. brunno (nhd. brunnen), os. brunno, ofri. ags. burna, got. brunna m. “bron” resp. “waterput”. De oergerm. stam was wsch. *ƀrunen-, *ƀrunn-; ’t woord komt dan van dezelfde uit bh(e)re- verlengde basis bhren- als branden; als de u idg. u is vgl. brouwen I, bruisen, ier. tipra (*to-aith-brewant-) “bron”, gr. phréār (*phrēwar), phréātos (*phrēwētos) “bron, put”, arm. ałbiur “bron”, voor de bet. vgl. ook ’t niet. verwante wel I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bron. Ier. tipra ‘bron’ en topur ‘id.’ zijn wel verwant, maar sluiten zich toch niet zo nauw aan bij gr. phréar, arm. ałbiur en brouwen, bruisen als in het art. wordt verondersteld. Vgl. WP. II, 158.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bron v., ontleend aan ’t Hgd. brunn: z. born.

born v., Mnl. borne, Os. brunno + Ohd. brunno (Mhd. brunne, Nhd. brunn), Ags. burna (Eng. bourn), Go. brunna; * in Ndl. en Ags. met metathese van r: vergel. barnen, waartoe men het brengt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

born, bon, burre, berre, zn.: bron. Mnl. born(e), barn, bern ‘bron, fontein’, waaruit Ndl. bron door metathesis. Burre en bon door assimilatie, resp. rn > rr, rn > n. Vgl. D. Brunnen ‘waterput’. Familienaam 1326 Arnoud van der Borne, Clais van den Borre (Debrabandere 2003).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

borre, burre, berre waterput (Brabant). = mnl. borne = hgd. brunnen (waaruit nl. bron is ontleend) = got. brunna. ~ branden ~ bùrre ↑.
Goemans 108, NEW 90, WBD 160-161.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bron (Duits Brunnen)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bronnetje Aangedragen door iemand uit Driebergen. ‘In 1973, mijn verkeringstijd’, schrijft hij, ‘kwamen kennissen van mijn schoonouders op de borrel. Hij bestelde een bronnetje, waarschijnlijk om te imponeren. Toevallig dronk ik toen zelf Oude Bokma. Op het etiket staat de naam van de destilleerderij zeer groot. De merknaam “De Bron” staat er in kleine letters onder. Ik kon dus zonder verder te vragen met de vierkante fles voor de dag komen.’ Niet algemeen.
Vergelijk slingertje en vlekje.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Born of bron, waarschijnlijk van een Keltischen wt. bren, dat opwellen, koken, bet. Verwant is borrelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bron ‘uit de grond opwellend water’ -> Ambons-Maleis bron ‘waterbron’; Sranantongo bron, blon ‘put (ook fig.)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

born* bron 0901-1000 [WPs]

bron uit de grond opwellend water 1605 [WNT verfrisschen] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bh(e)reu- : bh(e)rū̆- ‘sich heftig bewegen, wallen, bes. vom Aufbrausen beim Gären, Brauen, Kochen usw.’, Erw. von bher-2.

A. Ablautstufen bheru- (bheru-), bhrū̆-:
Ai. bhurváṇi-ḥ ‘unruhig, wild’, bhurván- ‘unruhige Bewegung des Wassers’.
Arm. bark ‘scharf, sauer, grausam’ (barkanam ‘ich werde zornig’), das sehr vieldeutig ist, wird von Dumézil BSL. 40, 52 als *bhr̥-u̯- hierhergestellt, desgleichen berkrim ‘ich freue mich’ als *bher-u̯-; sehr unsicher!
Gr. φαρυμός· τολμηρός, θρασύς Hes. (*bher-u-) und φορυτός ‘Gemisch, Kehricht, Spreu, Mist’, φορύ̄νω, φορύσσω ‘knete durcheinander, vermische, beflecke, besudle’, wahrscheinlich auch φρυ-άσσομαι ‘gebärde mich ungeduldig (bes. von feurigen Pferden); bin übermütig’.
Thrak. βρῦτος (s. u.).
Alb. brum m., brumë f. ‘Sauerteig’, mbruj, mbrünj ‘knete’.
Lat. ferveō, -ēre, fervō, -ĕre ‘sieden, wallen’ (über fermentum s. bher-2); dēfrū̆tum ‘eingekochter Most, Mostsaft’ (: thrak. βρῦτος, βρῦτον, βροῦτος ‘eine Art Gerstenbier’; aus thrak. *brūti̯ā (gr. βρύτια), stammt illyr. brīsa ‘Weintrester’, urverw. alb. bërsí ds., woraus serb. bersa, bȋrsa, bîrza Schimmel auf dem Wein; lat. brīsa aus dem Venet. oder Messap.).
Mir. berbaim ‘koche, siede’, cymr. berwi, bret. birvi ‘sieden, wallen’, bero, berv ‘gekocht’, gall. GN Borvo (bei Heilquellen), vgl. mit anderem Suffix Bormō oben S. 133; vielleicht auch frz. bourbe ‘Schlamm’ aus gall. *borvā ‘Sprudel’; air. bruth ‘Glut, Wut’, mir. bruith ‘kochen’, enbruithe ‘Fleischbrühe’ (zu en- ‘Wasser’, s. unter pen-2), acymr. brut ‘animus’, ncymr. brwd ‘heiß’ (cymmrwd ‘Mörtel’ aus *kom-bru-to-, vgl. mir. combruith ‘sieden’), brydio ‘fervere’, acorn. bredion ‘coctio’ (Umlaut), abret. brot ‘zelotypiae’, nbret. broud ‘heiß, gärend’.
Über germ. bru-Formen s. unter B.
B. Ablautstufen bhrē̆u- und (teilweise wieder) bhrū̆-:
Zunächst in Worten für ‘Quelle’ = ‘Hervorsprudelndes’ (r/n-St., etwa bhrēu̯r̥, bhrēu̯n-, bhrun-); arm. ałbiur, ałbeur (Gen. ałber) ‘Quelle’ (aus *bhrēw(a)r =) gr. φρέαρ, -ᾱτος ‘Brunnen’ (*φρῆϝαρ-, -ατος, hom. φρήατα, überliefert φρείατα); mir. tipra f. ‘Quelle’ (vielleicht aus air. *tiprar < *to-ek̑s-bhrēu̯r̥), Gen. tiprat (*to-ek̑s-bhrēu̯n̥tos); air. -tiprai ‘strömt gegen...’ (*to-ek̑s-bhrēu̯-īt?); vom St. bhrun- der Kasus obliqui aus als en-St. urgerm.*brunō, *brun(e)n-, got. brunna, ahd. brunno, ags. brunna, burna ‘Вrunnen’ (aisl. brunn), mit Metathese nhd. (ndd.) Born.
Mit ähnlicher Bed. russ. brujá ‘Strömung’, bruítь ‘stark reißend strömen, dahinfließen’, wruss. brújić ‘harnen’ (diese Bed. auch in mhd. brunnen und in nhd. dial. brunzen, bair. brunnlen ‘harnen’ von Brunnen), formal nächstens zu lit. br(i)áujs, br(i)áutis ‘sich mit roher Gewalt vordrängen’ (*bhrēu-), lett. braulîgs ‘geil’; auch apr. brewingi ‘förderlich’?
bhre-n-u- (Präsens mit Nasalinfix, vgl. nhd. brennen) mit Beziehung auf züngelnde Flammen liegt vor in got. ahd. as. brinnan, ais. brinna, ags. beornan, birnan ‘brennen’, Kaus. got. brannjan, aisl. brenna, ahd. brennan, ags. bærnan ‘brennen’, wozu u. a. ahd. brant ‘Brand’, brunst ‘Brennen, Brand’, aisl. bruni, ags. bryne ‘Brand’, ahd. bronado, ags. brunaþa ‘Jucken, Hitze am Körper’, schwed. brånad ‘Brunst’;
bhréu̯- : bhruu̯- in: ahd. briuwan, ags. brēowan ‘brauen’, aschwed. bryggja (aus *bryggwa) ds.; germ. *bruđa- in: aisl. ags. brođ, ahd. prođ ‘Brühe’ (: defrūtum, air. bruth, thrak. βρῦτος; mhd. brodelen, nhd. brodeln); germ. *brauđa- in: aisl. brauđ, ags. brēad, ahd. brōt ‘Brot’ (von dem Gärstoff); über ahd. wintes prūt ‘Windsbraut’ s. Kluge11 692.

WP. II 167 f., WH. I 333 f., 487.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal