Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brommen - (een grommend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brommen 1 ww. ‘een grommend geluid maken’
Mnl. brummen ‘zeker geluid maken’ [1477; Teuth.]; vnnl. brummen ‘brullen, loeien, schetteren’ [1599; Kil.].
Een van de werkwoorden met br- die klanknabootsend zijn, net als bijv.briesen.
Mnd. brummen, mhd. brummen (nhd. brummen); nfri. bromme; nzw. brumma. Daarnaast met ablaut mnl. brem(m)en ‘brommen, grommen’, zie → brems; mnd. brammen; oe. bremman ‘brullen, razen’.
De vormen met -mm- zijn jonger dan mnl. bremen ‘grommen’, ohd. breman (sterk ww.) ‘brullen’; vergelijkbaar met Latijn fremere ‘brommen, gonzen, brullen’; Grieks brémein ‘(b)ruisen, dreunen’; Oudwelsh brefu ‘brullen’; Bulgaars brămná ‘zoemen’. Ook in al deze gevallen gaat het wrsch. om klanknabootsende woorden, eventueel bij een wortel pie. *bhrem- ‘zoemen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brommen* [laag, dof geluid maken] {brummen 1477, brommen 1623} een klanknabootsende vorming, vgl. middelnederduits, middelhoogduits brummen; ook ablautend middelnederlands brimmen, bremmen, oudhoogduits breman [brommen, brullen]; buiten het germ. latijn fremere [briesen, brommen], grieks bremein [dreunen], oudindisch bhramati [hij zwerft, zwerft rond]. Deze woorden zijn ofwel verwant ofwel hebben dezelfde ontstaansgrond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brommen ww., eerst nnl., ouder brummen (Kiliaen: ‘rugire, mugire’), mnd. mhd. brummen. Daarnaast staan ablautend: mnl. brimmen, bremmen, mhd. brimmen, me. brimmen. Alle jongere formaties met -mm- naast het oudere ohd. breman ‘brommen, brullen’. Zonder op een idg. wortel *bhrem terug te gaan, kan men deze woorden als klanknabootsende formaties, met anlaut br- (als in briesen en brullen) en met -mm- (als in bommelen en stommelen) plaatsen naast lat. fremo ‘brommen, bruisen’ gr. brémō ‘bruisen, dreunen’, vgl. ook oi. bhramara- ‘bij’ (zie: brems).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brommen ww., eerst nnl. Kil. geeft brummelen, brummen op als “Sax. Sicamb.”, met de bet. “rugire, mugire”. = Teuth. brummen “rugire” en verder mhd. (nhd.) mnd. brummen “brommen, gonzen”. Ablautend met mhd. meng. brimmen, mnl. brimmen, bremmen “brommen, brullen”. Al deze woorden zullen wel jonge vormen zijn, zooals ze bij een onomatopoëtisch gevoelde woordfamilie vaak opkomen. Ouder is ohd. brëman “brommen, brullen” (= mnl. brēmen? Bet. onzeker). Dit kan met kymr. brefu “brullen”, lat. fremo “ik brom, gons, bruis enz.”, gr. brémō “ik bruis, dreun” op een idg. basis m(e)rem- teruggaan, zie morren. Ook is ’t mogelijk, dat gr. brémō hier niet bij hoort, en dat de wortel bherem- is, waarvan oi. bhramará- “bij” en brems kunnen komen, benevens gr. phórminx “cither”, po. brzmieć “klinken”. Misschien hebben de klanknabootsende bases bh(e)rem- en m(e)rem- beide reeds in ’t Idg. bestaan. De wortel bhrem- duidde ook onrustige beweging aan: vgl. oi. bhrámati “hij zweeft, zwerft rond”, on. brim o. “branding”, ags. brym m. “zee”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brommen ono.w., + Hgd. brummen, waarnevens Ohd. breman + Skr. wrt. bhram, Gr. brémein, Lat. fremere, We.. brefu = brullen: Idg. wrt. bhrem = dwarrelen. Brommen dus bet. het ruischend geluid eener draaiende beweging (z. braam 1 en brems).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1brom ww.
1. 'n Dowwe, grommende geluid maak. 2. Dof, binnensmonds praat. 3. Berispe, kla.
Uit Ndl. brommen (Mnl. brummen in bet. 1, 1782 in bet. 2, 1898 in bet. 3), wat klanknabootsend gevorm is. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. brummen (12de eeu). Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1838 in bet. 1) en vanuit Afr. in S.A.Eng. (1976 in bet. 3, 1979 in bet. 2).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brommen ‘laag en dof geluid maken, mopperen’ -> Deens brumme ‘laag en dof geluid maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brumme ‘laag en dof geluid maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds brumma ‘laag en dof geluid maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels brom ‘laag en dof geluid maken, mopperen’ .

brommer ‘iets of iemand die een brommend geluid maakt’ -> Deens brummer ‘iemand die niet kan zingen; mechanisme dat een brommend geluid maakt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels † brummer fly, brommer ‘vleesvlieg’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brommen* laag en dof geluid maken 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

363. Wat ik je brom,

d.i. wat ik je zeg; dat verzeker ik je; Nkr. VII, 8 Maart p. 3: Als ik niet in de Kamer kom, gaat alles verkeerd, wat ik je brom; IX, 10 Juli p. 8: We krijgen mikmak met die boer, wat ik je brom; Nw. School VII, 254: Daar kunje nog een boel opsteken, wat ik je brom; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut