Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

broer - = broeder

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

broeder zn. ‘zoon van de vader, broer; monnik; verpleger’
Onl. bruothron (datief mv.) ‘broers’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. broder ‘broer’ [1236; CG I, 21], brueder ‘gildebroeder’ [voor 1254; CG I, 61], bruder ‘broer’ [1270; CG I, 185], broeder Jan ‘Jan de monnik’ [1277; CG I, 349], west-mnl. broer ‘broer’ [1300-50; MNHWS]; nnl. broeder ‘protestantse ziekenbroeder’ [1899; WNT].
Een van de algemeen voorkomende Indo-Europese verwantschapsaanduidingen.
Os. brōdar (mnd., nnd. bro(d)er); ohd. bruoder (nhd. Bruder); ofri. brother (nfri. broer ‘broer; geloofs- of stamgenoot’, broeder ‘verpleger’); oe. brōdor (ne. brother); on. bróðir (nzw. broder, bror; nijsl. bróðir); got. broþar (Krim-Gotisch bruder); < pgm. *brōþer- ‘broer’.
Verwant met: Latijn frāter, Venetisch vhraterei (datief); Grieks phrā́tēr ‘lid van een broederschap’; Sanskrit bhrā́tār; Avestisch brātā, Oudperzisch brātā; Litouws brólis, Lets brãlis, Oudpruisisch brote, brati; Oudkerkslavisch brat(r)ŭ (Tsjechisch bratr, Russisch brat); Oudiers bráthair; Armeens ełbayr; Tochaars A pracar; Tochaars B procer; bij de wortel pie. *bhreh2ter- (IEW 163-164).
Aan het eind van de 19e eeuw was de geschreven vorm nog voornamelijk broeder, hoewel de spreektaal al lang de voorkeur gaf aan broer; deze gesyncopeerde vorm kwam ook in de schrijftaal al vroeg voor. In de loop van de 20e eeuw is broer de standaardvorm in de schrijftaal geworden.
Reeds in de vroegste periode spraken monniken elkaar aan met broeder, naar het voorbeeld van Latijn frater, zie → frater. Aangezien deze geestelijken vaak als ziekenverzorger werkten, ging deze aanduiding ook op het overige verzorgend personeel over. In deze zeer specifieke betekenissen ‘geestelijke’ en ‘ziekenverzorger’ is broeder de enige schrijf- en spreektaalvorm gebleven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

broor (zn.) broer; Vreugmiddelnederlands broder <1236>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

broer (de, -s), broer of halfbroer ouder dan de betrokkene. Mildred heeft één broer en twee broertjes*. - Etym.: AN b. = mannelijk kind van dezelfde ouders als betrokkene. Zie ook: broertje*, kleinbroertje*, zuster*, zusje*, kleinzusje*.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut