Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

broche - (sierspeld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

broche zn. ‘sierspeld’
Nnl. broche ‘grote speld, sieraad’ [1855; WNT turkoois I].
Ontleend aan Frans broche ‘sierspeld’ [1332; Rey], eerder al ‘braadspit’ [1172-75; Rey] en ‘spies, ijzeren haak’ [1121; Rey] < middeleeuws Latijn broc(c)a, brochia ‘spit, spies’, een gesubstantiveerde vrouwelijke vorm van Latijn broccus, brocchus ‘vooruitstekend, met vooruitstekende taken’, dat zelf van Keltische oorsprong is (< *brokkos ‘spits’, misschien in Oudiers brocc; Welsh broch ‘das (= dier met spitse snuit)’); zie ook → brochure.
Op het Oudfranse woord gaan ook de vormen mnl. broke, brootse ‘halssieraad, ijzeren haak’ [ca. 1340; MNW] terug, evenals Fries brosj(e) (als synoniem van (doek)spjelde); Duits Brosche [19e eeuw]; Engels broach ‘speld, stift’, brooch ‘broche’.
brochette zn. ‘vleesspiesje’. Nnl. brochette ‘id.’ [1976; Dale]. Ontleend aan Frans brochette, verkleinwoord bij broche ‘spies’ [ca. 1180; Rey].

EWN: broche zn. 'sierspeld' (1855)
ANTEDATERING: Pendelogs en Oorringen, Venetiaansche Dames Halskettingen, Broches voor Dames [1834; Surinaamsche courant (KB) 25/9]
Eerder al mnl. brose 'speld, gesp, broche' [1342; MNHWS]; Zilvere en goude Borsjes 'zilveren en gouden broches' [1718; Herlein, 244]
EWN: ♦ brochette zn. 'vleesspiesje' (1976)
ANTEDATERING: een pen met ring ("brochette") [1939; Lodewijks, 284]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

broche [sierspeld] {borsjes (mv.) 1718, broche 1898} < frans broche [braadspit, pin, breinaald, doekspeld] < middeleeuws latijn broc(c)a, brochia [braadspit] < latijn broccus, brochus [met vooruitstekende tanden], van kelt. herkomst, vgl. oudiers brocc, welsh broch [das], zo genoemd naar zijn spitse snuit. Het woord was al eerder geleend, vgl. brose, brootse [ijzeren haak, ook als sieraad] {1342}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

broche znw. v. en o. later nnl. < fra. broche ‘spies, braadspit’ < gallo-rom. *brocca, afgeleid van *broccus ‘doorn’. Uit dit fra. broche reeds mnl. broke, brootse v. ‘halssieraad, braadspit’; uit het moderne broche ook nhd. brosche, ne. broach ‘speld, stift’, brooch ‘broche’.

Uit het onzijdig gebruik van broche, dat als verkleinwoord opgevat werd, ontstond het holl. bros (W. de Vries, Woordverkl. 1920-1, 17).

broche [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: W. de Vries, Woordverkl.; lees: W. de Vries, Woordv(orming).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

broche (de en het), later nndl. uit fr. broche “spies, braadspit”. Dit was reeds vroeger overgenomen als mnl. oudnnl. (nog zuidndl.) brōke, brootse v. “een soort halssieraad, breekijzer, braadspit”. Ook uit ’t Fr. eng. broach “speld, stift”, brooch “broche”, nhd. brosche v. “broche”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

broche. Doordat men in het onz. gebruikte woord de verkleinuitgang -je zag, kwam hier en daar in Holland de vorm bros op, in de stad Groningen brö̀s (W. de Vries Woordv. 17).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brosj (zn.) sierspeld; Nuinederlands broche <1855> < Frans broche.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

breuk, zn.: sierketting om de hals gedragen door de deken van een gild, koning van een schuttersgild. Mnl. broke ‘als sieraad gedragen speld’, Vnnl. broke, broocke, breucke ‘halssieraad’ (Kiliaan). Uit Opic. broke, broque, naast Ofr. broche < Volkslat. brocca ‘puntig voorwerp’, vrl. gesubstantiveerd uit bn. brocchus ‘uitstekend’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

broche (Frans broche)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

broche ‘sierspeld’ -> Indonesisch bros ‘sierspeld’; Jakartaans-Maleis bros ‘sierspeld’; Makassaars burôs, burôsó ‘sierspeld’; Menadonees bros ‘versiering aan bijvoorbeeld een jurk’; Muna buronso ‘sierspeld’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut