Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brit - (brok)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brit znw. v. ‘stuk, scherf’ (verouderd), nu nog in de Groninger Ommelanden, met de betekenis van ‘brok turf’ in Gron. brijt, nfri. brjit, brut. — mnl. britte, brette, brete v. ‘aardkluit’ (vgl. Kiliaen britte, brutte holl. sicambr.).

Men kan uitgaan van een grondvorm *brīt, brĭt, die men dan kan terugvoeren op een dentaal-afl. van de idg. wt. *bhrei ‘met een scherp werktuig snijden’ (IEW 166), waarvoor zie ook brik 2. Daarnaast staat de wt. *bhreu met dezelfde betekenis (IEW 169), waartoe behoren oe. brēotan, on. brjōta ‘breken’. Voor het nl. brit is ook uit te gaan van een bet. ‘iets dat gebroken is’. Wisseling van de klassen met ei- en eu-vocalen komt vaak voor, zonder dat men altijd aan een idg. ablaut te denken heeft (vgl. de Vries, PBB 80, 1958, 1-32).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brit m. (brok), + Eng. brittle. bij Mhd. brieʒen, Ags. bréotan, On. brjóta = breken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut