Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brink - (dorpsplein)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brink zn. ‘dorpsplein’
Onl. brinc ‘berm, dorpsplein’ in de plaatsnaam Mitdelbrinc (onbekende locatie in Overijssel) [1152; Künzel 251]; mnl. brink ‘marktplein’ [1206; Slicher van Bath], in de familienaam Gerlach van den Brinck [1266; Debrabandere 1993], brinc ‘grasland, dorpsplein’ [1478-79; MNW].
Mnd. brink (nnd. brink ‘rand, heuvel, hooggelegen grasveld’, nzw. brink ‘steilte, helling’); nhd. Brink ‘(vochtige plek in) weide; brink’; nfri. brink ‘dorpsplein’; me. brinke ‘steile oever, rand’ (ne. brink); on. brekka (met andere stamvorm < *brinka) ‘steile heuvel’ (nijsl. brekka ‘heuvel’, nzw. dial. bräkka, brikka ‘helling, rand’); < pgm. *brinka-, *brinkō-. Daarnaast staat nhd. dial. Brunkel ‘nattig grasland’.
De oorsprong van brink is onzeker. Het meest wrsch. lijkt verwantschap met → berm in de betekenis ‘rand’ (< pie. *bherm-, *bhrem- (IEW 142)), wat met een achtervoegsel *bhrem-go-braam 2 ‘oneffen rand’ oplevert. Een andere verklaring denkt aan verband met pie. *bhren- ‘omhoogsteken; rand’ (IEW 167) bij de wortel pie. *bher- ‘snijden, splijten’ (IEW 133-135); verwant met pie. *bhren- zijn ook Latijn frōns ‘voorhoofd’ (zie → fronsen) en Iers braine ‘scheepsboeg, aanvoerder’.

EWN: brink zn. 'dorpsplein' (1152)
ANTEDATERING: brunc 'rand, dorpsweide' in de plaatsnaam Brunchorst [1128-39; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brink* [erf, plein] {in de vroegere Overijsselse plaatsnaam Mitdelbrinc <1152>, brinc [rand, grasveld, plein, marktbeeld] 1206} middelnederduits brink [rand, heuvel, hooggelegen grasveld], oudnoors brekka [heuvel, helling]; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brink znw. m., vooral in Saksische streken in gebruik, mnl. (Saks.) brinc m. ‘grasrand, grasveld, dorpsplein’, mnd. brink m. ‘rand, heuvel, hooggelegen grasveld’, ne. brink ‘steile oever, rand’; daarnaast on. brekka ‘steile heuvel’ en ablautend nhd. dial. brunkel ‘nattig grasland’.

De etymologie is onzeker. Men stelt een idg. wt. *bhren op, waarvoor te vergelijken zijn iers braine ‘scheepsboeg, aanvoerder; kant, rand’, lat. frons ‘voorhoofd’ (IEW 167). Deze wortel is dan wel een verlenging van *bher ‘snijden, splijten’. — Wellicht het beste uit de groep van woorden voor de arbeid in het bos te verklaren (AEW 55) en dan is de oudste betekenis wel ‘wal om een akker’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brink (algemeen bekend woord; alleen in saks. en aangrenzende streken een volkswoord; ook in namen als Ten Brink), mnl. (saks. dial.) brinc m. “grasrand, grasveld, plein”. = mnd. brink m. “rand (verschillend gespecialiseerd), heuvel, hoog grasveld”, eng. brink “steile rand, oever”. Hierbij de v. n-stam on. brekka “steile heuvel” en met ablaut hd. dial. brunkel m. o. “nattig grasland”. Of van een basis bhreŋg-, een bijvorm van bheŋg- en bhreg- (zie bank I), mogelijk uit deze bases gecontamineerd, — òf — waarschijnlijker — van mren͂ĝ-, dat tot marĝ- (zie markgraaf) staat als bhren͂ĝh- tot bherĝh- (zie brengen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brink m. (grasrand, grasheuvel, grasplein), Mnl. brinc + Mndd., Eng., Zw., De. brink. On. brekka = heuvel + Gr. pharanx = veld met kloven. We.. bryncu = heuvel; een nasaleering van breken.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

brink '(gras)rand, erf om boerenhoeve, dorpsplein'
Onl. brinc 'berm, dorpsplein', mnl. brinc, brink 'grasland, dorpsplein', nfri. brink 'dorpsplein', mnd. brink 'rand, heuvel, hooggelegen grasveld', nhd. Brink '(vochtige plek in) weide; brink', me. brinke 'steile oever, rand', ono. brekka 'steile heuvel'. De oorsprong van brink is onzeker. Dit toponymisch grondwoord komt vooral voor in de oostelijke provincies en heeft daar de betekenissen '(gras)rand, erf om boerenhoeve, dorpsplein'. Als oorspronkelijke betekenis denkt men aan 'heuveltje in drassig land'. De ontwikkeling van 'rand' naar 'dorpsplein' stelt men zich als volgt voor: oorspronkelijk lag de brink aan de rand van de huiskampen en werd gebruikt voor het verzamelen van het vee voor de nacht. In de late middeleeuwen werden in enkele nederzettingen de boerderijen rondom de brink gebouwd en ontwikkelde de brink zich tot dorpsplein.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 1152 kopie 15e eeuw Mitdelbrinc (ligging onbekend, bij Vollenhove)1, 1206 ab australi parte fori quod uulgo Brink dicitur (Brink, marktplein te Deventer)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 251, 2Gysseling 1960 190.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Brink (het erf om Saksische boerenhoeven; ’t dorpsplein). Van de vele afleidingen, die van dit woord ondersteld worden, schijnt die van Prof. Gallée de aannemelijkste: het woord zou staan voor: be-ring, d.w.z.: de omringde, afgepaalde plaats (ring spreekt men op de Veluwe nog vaak als rink uit). Inderdaad zijn de brinken om de hoeven door slooten en heiningen omgeven en op den Brink (het dorpsplein) was oudtijds het heiligdom door een afsluiting, bijv. een muur, omringd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brink ‘(verhoogd) erf, plein’ -> Duits Brink ‘heuvel’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens brink ‘heuvel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brink ‘steile heuvel, heuvelrug’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds brink ‘(steile) helling’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brink* erf, plein 1152 [Claes Tw. 9]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut