Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brillenjood - (brildrager)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

brillenjood: brildrager (niet noodzakelijk van Joodsen bloede). In vroeger eeuwen mochten de Joden geen universitaire studie in Nederland volgen. Het enige intellectuele beroep dat er voor hen overschoot, was dat van lenzenmaker. Reeds opgetekend in 1871. Vnl. jeugdtaal. Ook wel: brillie, brillo, brilsmurf. Onder Twentse scholieren deed eind vorige eeuw de schimpnaam brillenjopie de ronde. Mogelijk wilden ze daarmee de taboevorm brillenjood omzeilen.

Bovendien: zèlf was hij toch ook minder dan de jongens op school? Jules werd voor ‘brillenjood’ uitgescholden, en liep alleen naar huis. (Simon Vestdijk, Kind tussen vier vrouwen, 1972, 6e druk 1994)
Van die apotheker, die brillejood. (Louis Ferron, De keisnijder van Fichtenwald, 1976)
Klootzak, patjakker, nieuwe vrijgestelde, brillejood, zondagsvaarder! (J.M.A. Biesheuvel, Duizend vlinders, 1981)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut