Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

briesen - (een snuivend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

briesen ww. ‘een snuivend geluid maken’
Mnl. briesgen ‘hinniken’ naast het zn. brisginge ‘gehinnik’ [beide: 1240; Bern.]; nnl. brieschen [1701; WNT]. Een variant in het Middelnederlands is brienscen (nog vnnl. brinssen = brieschen ‘hinniken’ [1599, “Hollands”; Kil.]).
Een van de vele werkwoorden met br- die klanknabootsend zijn (net als → brallen, → brommen 1, → bruisen, → brullen). Daarnaast staan nog andere klanknabootsingen met br-: mhd. brasteln ‘knetteren’; on. brasta ‘lawaai maken, pralen’ en, buiten het Germaans, Litouws braškù, braškėti ‘kraken, knetteren’.
Mnd. breschen, met andere klinker braschen ‘brullen, kraken’; mhd. brieschen ‘brullen’; nfri. brinzgje ‘briesen (van een leeuw, van grote wilde dieren)’ naast wrinzgje ‘briesen (van een paard)’. Dit zijn vrij jonge Germaanse vormingen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

briesen* [brullen, hoorbaar ademen van paard] {brieschen, breeschen, bris(s)chen 1201-1250} een klanknabootsend woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

briesen ww., mnl. briesscen ‘briesen, brullen’, waarnaast nog brienscen, briscen, brisscen (Kiliaen: brinssen), mnd. brēschen ‘brullen, kraken’, mhd. brieschen ‘brullen’; vgl. met andere klinker: mnd. brāschen. — Het woord heeft een klanknabootsend karakter; de anlaut br- vinden wij ook in brullen of in mhd. brasteln ‘knetteren’, on. brasta ‘lawaai maken, pralen’. — lit. braszkù, braszkéti ‘kraken, knetteren’. — Geen oerverwantschap, maar onafhankelijke, in het germ. zelfs vrij jonge formaties.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brieschen ww., mnl. briesscen “brieschen, brullen, schallen”. Mnl. bijvormen: brienscen (nog N.Brab., Kil. brinssen “Holl.”) en briscen, brisscen; deze laten zich uit ’t onomatopoëtische karakter van dit ww. verklaren. = mhd. brieschen “brullen”, mnd. brêschen “brullen, kraken, pedant doen”. Evenals mnd. brȃschen, “id.” een jong ww., dat zich wat den anlaut aangaat bij brullen, brallen enz. aansluit. Vgl. nog het rijmende ww. oudnnl. (nog dial.) drieschen. Dgl. formaties ook elders, bijv. lit. braszkù, braszkė́ti “kraken, knetteren” (minder wsch. bij breken gebracht: idg. g-sq).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brieschen ono.w., Mnl. briescen, brienscen + Mhd. brieschen: een onomat.; hierbij het oudere bruischen, Hgd. brausen, Skand. brusa.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

briesen, ww.: fel schitteren van kleuren. Afgeleide bet. van briesen ‘brullen, loeien, schreeuwen’. Vgl. schreeuwerige kleuren.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

brinsen, brienzen, ww.: briesen, hinniken. Vnnl. brinssen, brieschen ‘hinniken’ (Kiliaan). Afl. bij Ohd. breman, Mhd. bremen ‘brommen, brullen’, Oe. bremman ‘brullen’, E. to brim ‘tochtig zijn (van varkens)’, Mhd., Mnd., D. brimmen ‘brullen, brommen’, Mnl. bremmen, brimmen, bremen ‘brommen, loeien’, Vnnl. bremmen ‘hinniken, loeien’ (Kiliaan).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bries ww. (verouderd)
1. Brul. 2. In woede uitbars. 3. Die asem herhaaldelik met kort geluide uitstoot, bv. soos tydens die proes van 'n perd.
Uit Ndl. briesen (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1573 in bet. 3).

briesend b.nw.
Woedend.
Uit Ndl. briesend, slegs as verlede dw. van briesen 'bries' (sien 1bries 2).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

briensen briesen (Oost-Noord-Brabant, prov. Brabant, Meyel). = mnl. brienscen. Evenals briesen klanknabootsend.
WBD 613, Crompvoets 1991, 28.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

briesen ‘brullen; hoorbaar ademen van paard’ -> Fries bryskje ‘brullen; hoorbaar ademen’; Negerhollands bries ‘brullen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

briesen* brullen, hoorbaar ademen van paard 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut