Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breuk - (het breken, plaats waar iets gebroken is; niet-geheel getal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

breuk zn. ‘het breken, plaats waar iets gebroken is; niet-geheel getal’
Onl. bruch ‘breuk’ [ca. 1100; Will.]; mnl. te broken gaen ‘een breuk krijgen’ [1240; Bern.], broke ‘vergrijp’ [1292; VMNW], broke ‘gebrek, ondeugd’ [1293; VMNW], broke ‘breuk, het gebroken zijn’ [1300-50; MNW-R], bruecke ‘vergrijp’ [1470-90; MNW-R], broecke ‘boete’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. Broke, breucke ‘breuk, splijting’ [1599; Kil.], Broke, breucke ‘breuk, uitstulping door het buikvlies’ [1599; Kil.], broock ‘niet-geheel getal’ [1633; WNT], breuck ‘id.’ [1661; WNT].
Ablautende vorm met nultrap bij de wortel van het werkwoord → breken. In de betekenis ‘niet-geheel getal’ een leenvertaling van Latijn fractio ‘breuk’.
Os. bruki; ohd. bruh (nhd. Bruch); ofri. breke (nfri. breuk, brek); oe. bryce < pgm. *bruki- ‘breuk’.
Voor de betekenis ‘niet-geheel getal’ werden eerder de znn. gebroken en gebrook gebruikt: heele ghetalen sonder ghebrokenen ‘gehele getallen zonder breuken’ [1585; WNT breuk I].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breuk* [het breken, barst] {broke, brueke 1201-1250; de rekenkundige betekenis ‘gebroken getal’ 1569} ablautend bij breken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

breuk znw. v., mnl. brōke, brueke, os. bruki, ohd. bruh, ofri. breke, bretse, oe. bryce. — Is met ablaut afgeleid van breken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

breuk znw., mnl. brōke, brȫke v. m. = ohd. bruh (nhd. bruch), os. bruki m., ofri. breke, bretse m., owfri. ook v., ags. bryce m. “breuk”, in sommige talen met een uitgebreide bet.-sfeer. Ablautend met breken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

breuk v., met eu = ö, van denz. stam als ’t v.d. van breken.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

breuk ‘gebroken getal’ (bet. van Latijn fractio)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

breuk. Tijdens de viering van Leidens Ontzet op 3 oktober 1998 raakte een deelnemer aan de festiviteiten zo opgewonden dat hij een commissaris van de Optochtcommissie het volgende toevoegde: ik mag lije dat je een gecompliceerde breuk krijgt, van je navel tot je reet! Iemand een breuk toewensen waarbij het gebroken bot door de huid naar buiten steekt, getuigt van meer dan opgewondenheid; van woede, haat en afkeer. De emotionele betekenis van de verwensing is ‘rot op, ik wil niets met je te maken hebben en kots van je’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breuk ‘het breken; barst; ziektetoestand waarbij een orgaan buiten zijn normale positie komt’ -> Fries breuk ‘verbreking van de samenhang van iets; uitzakking, liesbreuk’; Deens brok ‘ziektetoestand waarbij een orgaan buiten zijn normale positie komt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brokk ‘ziektetoestand waarbij een orgaan buiten zijn normale positie komt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bråck ‘ziektetoestand waarbij een orgaan buiten zijn normale positie komt, hernia’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands breek ‘het breken; barst’; Papiaments breuk ‘ziektetoestand waarbij een orgaan buiten zijn normale positie komt, hernia’.

breuk ‘gebroken getal’ -> Fries breuk ‘gebroken getal’; Deens brøk ‘gebroken getal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brøk ‘gebroken getal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bråk ‘gebroken getal’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

breuk* het breken, barst 1240 [Bern.]

breuk* gebroken getal 1569 [Kool]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut