Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brem - (plant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brem zn. ‘struik (Cytisus scoparius)’
Mnl. bram ‘brem’ [1226; CG II, Pl.gloss.], brem ‘doornstruik’ [1240; Bern.], ook mnl. brem(me), brimme, breme ‘brem; braam-, doornstruiken’.
Mnd. breme, bromme ‘brem, doornstruik’; ohd. brimma, brema; nfri. bremer-, brimmerheide; < pgm. *bremjō- ‘doornstruik’.
Ondanks de sterke klankovereenkomst is verwantschap met → braam 1 onzeker. Wel is er regelmatig betekenisverwarring tussen brem en braam opgetreden, met name in samenstellingen. Een wortel pie. *bhrem- (IEW 142) (< pie. *bher- ‘uitsteken’), die aan beide vormen ten grondslag zou liggen, is onzeker. Gezien deze onzekere pie. wortel en het betekenisveld (flora) is er misschien sprake van een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brem2* [plant] {brem(e) [brem, als collectief bremstruiken, doornstruiken] 1201-1250} middelnederduits breme, oudhoogduits brimma; verwant met braam2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brem znw. m., mnl. bremme, brimme, brème m.? ‘brem, doornstruik’, ohd. brimma v., mnd. brēme v. ‘brem, doornstruik’. Daarnaast staat mnd. bromme. — Zie verder: braam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brem znw., mnl. brem(me), brimme, brēme (m.?) “brem, brem-, doornstruiken”. Vgl. ohd. brimma v. (os.?) brëma v., mnd. brēme (bijvorm brumme, = wvla. brom?) “brem, doornstruik”: ohd. pfrimma v. (nhd. pfriem m.). Als de b-anlaut het oudst is, is brem een ablaut-variant van braam I. Of on. brum o. “knop, tak met loof”, ouder-de. brom “katje, punt van een twjjgje” hierbij hoort, is onzeker; nog onzekerder is de combinatie met lat. frons, frondis “loof”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

brem. In oostelijke ndl. diall. (Dr. Achterh.) en reeds mnd. lopen de benamingen van de brem en de braam dooreen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brem 2 v. (plant), Mnl. bremme + Ohd. brimma en Eng. broom; daarnevens Ohd. pfrimma (Nhd. pfriemkraut) z. braam 2 en priem 2.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Brem, Cytisus scoparius
Cytisus: genoemd naar het eiland Cythno of Cythisa uit de eilandengroep van de Cycladen in de Egeische zee.
Scoparius: is afgeleid van het Latijnse woord scopa dat dunne tak betekent. De plant is bezemachtig vertakt, de takken zijn zeer dun. Van Brem werden namelijk bezems gemaakt en van dit gebruik gaat de wetenschappelijke naam uit.
Brem: Het woord brem is net als braam van huis uit eenvoudigweg stekel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brem* plant 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut