Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breken - (kapotmaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

breken ww. ‘kapotmaken’
Onl. met voorvoegsel te-: tebrecon ‘kapotmaken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. breken ‘id.’ [ca. 1237; CG I, 31].
Os. brekan (mnd. breken); ohd. brehhan (nhd. brechen); ofri. breka (nfri. brekke); oe. brecan (ne. break); got. brikan; < pgm. *brekan- ‘breken’.
Wrsch. uit pie. *bhr(e)g- ‘breken, kraken’ (IEW 165), misschien verwant met Latijn frangere ‘breken’ (zie → fractie), dat weliswaar een a heeft, maar als verleden tijd frēgi ‘ik brak’, een vorm die exact overeenkomt met de klinker in de verleden tijd meervoud (pgm. *brēk-) in got. brekum ‘wij braken’. Daarnaast bestaat er ook misschien verwantschap met Oudiers braigid ‘een wind laten’ (ook Engels break wind ‘een wind laten’). Verwantschap met woorden zonder -r- als Oudiers bongid ‘hij breekt, hij oogst’ is hoogst onzeker.
Aan het Germaans ontleend is Frans broyer, met een betekenisontwikkeling van ‘in stukken breken, kneden’ tot toepassingen als ‘verpulveren, fijnwrijven van stoffen voor het maken van verf’, ‘braken (van vlas)’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breken* [klein, stuk maken] {1237} oudsaksisch, oudengels brecan, oudhoogduits brehhan, gotisch brikan; buiten het germ. latijn frangere (verl. tijd fregi) [breken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

breken ww., mnl. brēken, onfrank. brecan, os. brekan, ohd. brehhan, ofri. breka, oe. brecan (ne. break), got. brikan. — lat. frango ‘breken’, oi. giri-bhráj ‘uit de bergen te voorschijn brekend’; idg. wt. *bhreĝ ‘breken, kraken’ (IEW 165).

Opmerkelijk is dat het on. dit ww. niet kent, wel echter braka ‘kraken’ te vergelijken met mhd. oe. brach en os. ohd. braht ‘lawaai’ (zie: pracht). Het skand. gebruikt het germ. ww. *breutan, vgl. on. brjōta. Beide ww. kunnen verlengingen zijn van de stam *bher (waarvoor zie: boren).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

breken ww., mnl. brēken. = onfr. brëcan (in samenst.), ohd. brëhhan (nhd. brechen), os. brëkan, ofri. brëka, ags. brëcan (eng. to break), got. brikan “breken”. Verwant met kymr. brau “fragilis”, lat. frango “ik breek” (met opvallende a, evenals fragor “gekraak” dat wsch. verwant is: perf. frêgi), oi. giri-bhráj- “uit bergen te voorschijn brekend”. Zie braak I, braken, breuk, brok en bank I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

breken. Over het vocalisme van lat. frango zie Güntert Abl. 54. Over lat. fragor zie pracht Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

breken o.w., Mnl. id., Os. brekan + Ohd. brehhan (Mhd. en Nhd. brechen), Ags. brecan (Eng. to break), Ofri. breka, Go. brikan (Zw. bräcka, De. braekke uit Ndd.) + Skr. giri-bhraj- = uit de bergen brekend, Lat. frangere, perf. fregi, Oier. com-brugud: Idg. wrt. bhreg, verwant met wrt. bhrest van barsten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

breken, A. overg. (brak, heeft gebroken), 1. kapot maken. Ik til het ding op en laat het met een klap vallen. () Ik luister weer, nu hoor ik niets meer, geen geluid. Mijn hemel, ik heb het telefoontoestel gebroken! (Rappa 1980: 115). - 2. (van persoon, fig.) klein krijgen, te gronde richten. En als ik zeg dat ik niet wegga. Verstoot je me dan? - Dacht je dat ik het geloofde?- Lafaard, je hebt me altijd willen breken. - Ik heb haast, Sita. Ik neem het kind mee. Het is ook mijn kind (Vianen 1969:159). - 3. kneuzen (koffiebessen), breken en uitrafelen (suikerriet). Voor een stoommachine stelt men, dat er dagelijks 16 ketels lika*, à 400 gallons, uitgemalen worden (hier breken geheten), waardoor men veertig koppen [arbeidskrachten] aan het rietkappen* stelt () (Teenstra 1835 I: 188; oudste vindpl.). - 4. wisselen (geld). Kun je een tientje voor me breken? - 5. ontmaagden. In alle feestgedruis, opnieuw bekentenis van Evi () over die nacht, waarop Janki haar had gebroken... een maannacht, voller als ’t achtste uur van nu (Cairo 1980c: 528). - B. onoverg. (brak, is gebroken), 1. kapot gaan. Een bromfiets brak door een klap van een auto het afgelopen weekend (WS 8-5-1982). - 2. (fig.) ‘kapot gaan’, uiteenvallen, ’s Avonds zongen ze droeve liederen bij de trom. Broers en zusters zouden scheiden. Families zouden breken (Hijlaard 11). - Etym.: (A en B): Veroud. AN b., E to break (down) en S broko kunnen alle A.1 en 2 en B.1 en 2 betekenen. Zie ook gebroken* = kapot. Veroud. AN. b. kan ook betekenen: ‘in een molen tot kleine stukken verbrijzelen, soms fijnmalen’, dus ongeveer als A.3. Zie ook: breekmolen*.
— : de dag breken, opblijven tot de morgen van de volgende dag (om te feesten, vissen, studeren enz.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

braak I: 1a. (enigsins veroud.) “onbeploegde grond”; 1b. “geploegde maar onbesaaide grond”; 2a. “verbreking” (gew. in ss., bv. “huisbraak, inbraak”); 2b. ww. “onbewerkte grond omploeg”, hou verb. m. Ndl. braken (by Kil braecken) en breken, Hd. brechen, Eng. break en Lat. frangere, “breek”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

breken (met iemand --) (vert. van Frans rompre avec quelqu’un)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

breken. Van de hoogstfrequente woorden van het Nederlands is bekend dat zij vaak gebruikt worden om andere te definiëren, dat zij vaak dienen om afleidingen en samenstellingen te vormen en ook dat er veel vaste verbindingen mee gevormd worden. Dat geldt zonder beperking voor breken. Zo is er de hartstochtelijke verwensing breek je nek! Zij drukt woede, afkeer, weerzin enz. uit. En ook in het enquêtemateriaal van 1993-1994 komt de verwensing breek je middenvoetsbeentje! voor. Eigenlijk wil de gebruiker van deze verbindingen niets anders zeggen dan: “Ik baal zo vreselijk van je gedrag dat je wat mij betreft je nek c.q. middenvoetsbeentje mag breken.” Datzelfde doel dient de verwensing breek je rug!, die gehoord werd op 25 oktober 1998 tijdens de voetbalwedstrijd Ajax-Cambuur. Versterkend is ook zal ik je kankerpoten breken! De verwensing breek een haar! tenslotte moet waarschijnlijk ironisch opgevat worden. Letterlijk getuigt zij van een bedrieglijke mildheid. Van het verwensingsversje stik, verrek, verteer enz. komen ook de volgende varianten voor: breek je knieën!, breek je kloten!, breek je bek!, breek je benen! en breek je poten!doodvallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breken ‘klein of stuk maken’ -> Duits brechen ‘beginnen met het lossen van de lading’; Deens brække ‘klein of stuk maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brekke ‘klein of stuk maken; stuk gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bräcka ‘klein of stuk maken; beginnen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands breek, brēk, brē ‘klein, stuk of kapot maken’; Berbice-Nederlands breke ‘klein of stuk maken; gebroken, kapot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

breken* klein of stuk maken 1237 [CG I1, 31]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

351. Met iemand breken,

d.w.z. iemand de vriendschap opzeggen; de betrekkingen van liefde of vriendschap afbreken. Onze uitdrukking kan een navolging zijn van het fr. rompre le fétu (ou la paille) avec quelqu'un (ou briser avec qqn), dat een herinnering bewaart aan de vroegere gewoonte van het breken van fustes bij het afstand doen van een zaak, of is ontstaan door weglating van de vriendschap. Zie de Lex Salica, 60 en vgl. het Mnl. Wdb. III, 51; Ndl. Wdb. III, 1262Bij Günther, 108 wordt voor de verklaring gedacht aan den staf breken over iemand.; hd. mit jemandem brechen; eng. to break with a p.

379. 't Moet buigen of barsten (of breken),

d.i. het moet geschieden, hoe dan ook; een in de 17de eeuw voorkomende zegswijze, die wordt aangetroffen bij P.C. HooftZie Oudemans, Taalk. Wdb. 20.; De Brune, Bank. II, 164: Harde koppen zetten 't over al in roere; 't moet al buyghen, of bersten, daer zy komen; O. Kant. 41: Spreek uit je mont. Het moet nu barsten, of buigen. Zie verder Tuinman I, 149: 't Moet buigen of bersten, zo zegt men mede van iets, waar aan het uiterste gewaagt word; de gelykenis is genomen van een styven stok, of iets diergelijks; Sewel, 148: Het moet buigen of bersten (het moet er heel op of heel onder), it must bend or crack; Halma, 96: Al is dat kind nog zoo boos, evenwel zal het moeten buigen of barsten (toegeven); Harreb. III, 4 b; Ndl. Wdb.. II, 1043; III, 1724; fri.: 't moat bûge of barste; in het Waasch Idiot. 149 a: Ge moet buigen of borsten, 't is te moeten; zie ook Teirl. 221; syn. in Zuidndl. dial. springen of banen. Vgl. het verouderde de. bugne eller briste; nd. dat schuil bûgen o'r brêken (Eckart, 51); hd. biegen oder brechen, waarvoor men in het eng. zegt to sink or swim.

944. Zich het hoofd breken,

d.w.z. zich inspannen, zijne hersenen (= hoofd) afmatten; vgl. Kil.: Hoofdbrekinghe, cerebri turbatio. In de 16de eeuw is de uitdr. al vrij gewoon, zooals blijkt uit Sartorius I, 8, 39: Daer is te deghen 't hooft over gebroken: dicitur de re summo studio lucubrata, et in qua exquisita cura singula pensitata sunt. Zie voor bewijsplaatsen Tijdschrift V, 161 en 166; Marnix' Byenc. 51 v; Harreb. I, 326 b; Ndl. Wdb. III, 1235; Falkl. V, 230: Breek 'r je kop niet over vent; vgl. fr. se casser la tête; hd. sich den Kopf (zer)brechen; eng. to break one's head or to cudgel one's brains, eig. zijne hersenen knuppelen (Taal en Letteren IX, 211); fri. hol(le)brekken, znw.

1188. Nu (of nou) breekt mijn klomp!

Dit wordt gezegd, wanneer plotseling iets onverwachts geschiedt of gezegd wordt, waarover men zijn uiterste verbazing te kennen geeft. Vgl. Leersch. 121: Nou breek me klomp, zei de Scheele; Handelsblad, 26 Nov. 1913, p. 6 k. 4 (ochtendbl.): Op een moment dat een Hollander zeggen zou: ‘daar breekt mijn klomp’, breekt deze Cyrono een Goudsche pijp; Diamst. 286: Nou breek me klomp!; Jord. 248: Nou brak zijn klomp; Handelingen der Staten-Generaal, 1913 (25 Febr.): Mijnheer de voorzitter, nu breekt toch werkelijk mijn klomp; Het Volk, 20 Maart 1914, p. 5 k. 2: Nou breekt m'n klomp! roept Kees uit en zijn sombere stemming gaat over in een luiden schaterlach: Zijn die kerels daar gek? 25 April 1914, p. 5 k. 3: Seg, nou breekt me klomp. Hoe kom jij aan die fijne bulle die je an je donder heb? De Vrijheid, 22 Nov. 1922, 4de bl. p. 2 k. 3: Nu scheurt me de klomp. Syn. daar gaat mijn pijp van uit, daar begrijp ik niets van, het gaat mijn verstand te boven (Boekenoogen, 1349; in Jord. II, 358: Nou brak toch vast d'r pijp; bl. 382: Nou brak haar pijp!.... haha! Handelsblad, 30 Aug. 1915 (avondbl.) p. 9 k. 3: Nou gaat m'n pijp uit, bromde het Lijk.... Zooiets heb ik nog nooit meegemaakt) of nou pis ik het vuur uit! (Boekenoogen, 1095); nou geet me de lamp heelemaal uit (Het Volk, 2 Jan. 1913, 2de blad); nou valt goddoome de boôm uit me hemd! (Kent. 57); noe sleit God ten duvel doed (MaastrichtN. Taalgids XIV, 194.); Afrik. dit slaan my dronk (Boshoff, 337).(Aanv.) Vgl. hd. Mir fällt die Butter vom Brote.

1290. De kruik gaat zoo lang te water tot zij breekt (of berst),

d.w.z. in eig. zin: men kan zoo dikwijls met eene broze kruik naar den put of den bak gaan om deze te vullen, totdat ze eindelijk tegen den kant breekt; in overdr. zin: men kan zoo dikwijls iets gevaarlijks of verkeerds doen, totdat het misloopt en men de slechte gevolgen er van ondervindt. In de middeleeuwen vinden we deze spreekwijze in den Esopet, 36, 10-20: So langhe stuuct men ende steect den stoep (kruik) te watre, dat hi breect; Reinaert II, 4356: So langhe gaet te water die cruuc, dat si breect ende valt an sticken; Pelgrim, 43 b: So lange gaet die pot om water dat si int laetste breect bij ongeval, datter in den wech op coemt; vgl. ook Limb. XI, 347; Lorr. I, 2045. Zie verder mlat. ollula tam fertur ad aquam, quod fracta refertur; donec fracta cadit, ad fontes amphora vadit (Bebel no. 27; Werner, 22); vgl. Goedthals, 18: de canne gaet so langhe te water, datse breckt, tant va le pot a l'eau qu'il brise; den roukeloose magh seven reysen wel slaen, maer eens qualick; Spieghel, 297; Brederoo I, 211: Een kruyck gaat soe langh te water tot datse barst; Six v. Chand. 454: De kruik die werd zoo langh vervarscht met waater haalen, tot se barst; Gew. Weeuw. I, 49: De kruyk zoo lang te water gaat dat ze van den Hengel valt; Spaan, 128; Harreb. I, 305 a; III, 222; Ndl. Wdb. VIII, 403; Waasch Idiot. 323; Ons Volksleven V, 162; fri. de krûk giet sa lang to wetter ont er de hals brekt. Ook in andere talen is het spreekwoord bekend; vgl. fr. tant va la cruche à l'eau qu'elle se casse; hd. der Krug geht so lange zu Wasser, bis er bricht; eng. the pitcher goes so often (or so long) to the well till it comes home broken at last. Voor het nd. vergelijke men Taalgids IV, 259; Eckart, 293.

1331. Eene lans breken voor iemand (of iets),

d.w.z. voor iemand of iets in het strijdperk treden, iemand of iets verdedigen; eene uitdr. die ontleend is aan het ridderwezen; fr. rompre une lance pour qqn; hd. für etwas eine Lanze einlegen; eng. to break a lance for a p. In de 17de eeuw ook een speer vellen voor iemand (Vondel). Met iemand eene lans breken, een strijd met iemand aangaan; met iemand strijden; iets tegen een ander verdedigen; hd. mit jemand eine Lanze brechen; fr. rompre une lance avec quelqu'un; eng. to break a lance with a p. Vgl. Roode Roos (anno 1588): Gy moet met haer noch een lance breken. Zie ook De Cock1, 13; Harreb. II, 9; Villiers, 71 en Ndl. Wdb. VIII, 1076.

1458. Iemand kunnen maken en breken,

d.w.z. iemands meerdere zijn, hem verre overtreffen in lichaamskracht of in geestvermogen; zie Ndl. Wdb. III, 1228 en 1232; Mnl. Wdb. IV, 1045; I, 1430: Ghesonde of siecheit van live ne sal meer no min breken no maken minen zin (zal nooit eenigen invloed op mijn geest hebben); Sartorius, II, 9, 17: Ick wil hem breken, ende weder levendigh maken, de imbecillis, et viribus longe inferioribus dicebatur; Molema 266 a: hij ken hom wel moaken en breken, zegt men van twee vechtenden, waarvan de eene veel sterker is dan de andere; fri. hy ken dy wol meitsje en brekke, gij zijt niet tegen hem opgewassen.

1641. Nood breekt wet,

d.w.z. de nood dwingt somtijds de wet te schenden; gezegd ‘ter verklaring en verontschuldiging van iets, dat eigenlijk ongeoorloofd is of tegen de gewoonte indruischt, doch alleen door de bijzondere omstandigheden als gewettigd wordt’; Ndl. Wdb. III, 1238; lat. necessitas ante rationem est (Otto, 241). In de middeleeuwen: noot breect ewe (wet, zedewet); men breect die wet dor noot; die noot gheen wet en heeft of nootsin breket al belof; Campen, 90: nood breeckt Ee; Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 571:

 De wetten zwijgen stil voor wapens en trompetten.
 De nood breeckt wet: gy mooght op geene wetten staen.

Vgl. verder C. Wildsch. I, 52; het hd. Not kennt kein Gebot; nd. Not holt gên Gebot; fr. nécessité n'a point de loi; eng. necessity has no law; zie Wander III, 1051; Harrebomée I, 440 b; Villiers, 87; Joos, 159; Waasch Idiot. 461 a: nood breekt wetten; Antw. Idiot. 1918: nood breekt wet.

1874. Ergens een potje kunnen breken,

d.w.z. ergens iets mogen doen, dat een ander wordt kwalijk genomen; zoozeer bij iemand in de gunst staan, dat men die ook door een guitenstreek niet verliest (Ndl. Wdb. III, 1233); het tegenovergestelde derhalve van potje breken, potje betalen of potje breek, potje betaal (Joos, 204; Waasch Idiot. 533 b; Rutten, 180 a) en het fr. payer les pots cassés; vgl. Coster, 593, vs. 177:

 't Is al aers alst pleech, ick mocht wel eer een potjen breecken,
 En boerten ick wat, 't was hoort toch dit sotjen spreecken.

Spaan, 9; Tuinman I, 89: ‘Lieve kinderen mogen wel een potje breken. Dat wil zeggen, zulke die in gunst zyn, mogen wel iets bedrijven, 't geen anderen qualijk afgenomen word’; Harreb. I, 406; Amstelv. 28: Gelukkige minister, hoor, die kan tenminste nog ereis een potje breken in de Kamer. In de 16de eeuw vinden we hiernaast een kruik(je) mogen breken; zie Matth. de Casteleyn, Pyr. 7 v: Datst principale, dat hy als de reale, zoude in Venus lustighe zale moghen een kruycke breken (vgl. Harreb. III, 209 a). In West-Vlaanderen is bekend: een potje boter bij iemand mogen breken, geerne gezien zijn, een voetje voorhebben (Schuermans, 503 a; Joos, 180); in het fri.: hy kin der in pôtsje brekke.

1911. Radbraken,

d.w.z. verknoeien, bederven, vooral van eene taal gezegd: slecht spreken, haar den hals breken; mnl. radebraken; hd. radebrechen (eine Sprache). Eig. beteekent dit wkw. op of onder een rad (de leden van een misdadiger) breken, kneuzen (vgl. ledebraken, ledebreken, verknoeien, en de uitdr. opgroeien voor galg en radMen lei soms latten onder de beenderen en knapte deze dan stuk door met een rad er op te stampen (Zwolsche Herdr. 18/20 aant. bl. 23). Nadat de verschillende ledematen stuk geslagen waren, werd het lichaam door de spaken van een rad gevlochten. Dat rad moest negen of tien spaken hebben en mocht te voren niet aan een wagen gebruikt zijn. Het rad werd met den misdadiger op een galg geheschen of in de zee geworpen (Frederiks, Het Oud-Nederl. Strafrecht I, bl. 385).; vgl. Lanc. II, 45020: Dat menne daer breken soude opt rat; Flor. 3479: Some riedense, dat mense hinge; some, dat mense op rade brake; Kiliaen: Braecken, vetus, j. breken, frangere, rumpere; radbraecken, rota torquere; rote insertum convellere noxium, et paulatim radiis rotarum convulsum lenta morte perimere; Plantijn: Raeybraken, casser et briser sur la roue, conquassere ossa in rota; dilaniare rotario supplicio; Halma, 528: Rabraaken, verknoeijen, bederven; Sewel, 661: De taal rabraaken, to speak a broken language; verder Grimm, Rechtsalterth. II, 265-267; Ndl. Wdb. III, 1001; 1005: 1230; VIII, 1205; Mnl. Wdb. VI, 942; Waasch Idiot. 543 en vgl. geradbraakt zijn; hd. gerädert sein; fr. être roué (de fatigue), zich afgemat en uitgeput gevoelen; ledebreken, zich zeer inspannen (17de eeuw en thans nog dial.).

2153. Den staf breken over iemand (of iets),

d.w.z. hem veroordeelen, een afkeurend oordeel uitspreken over iets; hd. den Stab über jemand brechen. De uitdr. is ontleend aan het vroegere rechtswezen. De rechter brak na het uitspreken van het vonnis zijn houten staf boven het hoofd van den veroordeelde in stukken, met de woorden: ‘Nu helpe u God, ik kan u niet meer helpen’ of ‘Ik verbreek met dezen staf tegelijk den band tusschen u en de menschheid’. Dit stukbreken had een bijzonderen zin. ‘Tusschen de volksgenooten bestond een vredeverbond, dat door het rechterlijk gezag werd gehandhaafd en dat ieder op veiligheid van persoon en goed aanspraak gaf. Gaf de rechter zijne macht tot bescherming van eenen enkele prijs - en dat deed hij door zijn staf, het symbool zijner macht, boven het hoofd des veroordeelden te breken - dan werd deze vredeloos en kon in ouden tijd ieder, in later tijd de scherprechter, hem straffeloos dooden’Zie Fockema Andreae in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde, 1897/98, bl. 121-123; Grimm, Rechtsalterth.4 I, 187; Günther, 160; K.v. Amira, der Stab in der Germ. Rechtssymbolik, München, 1909, bl. 84 vlgg.: Der stab in der Hand des Richters ist nicht Wahrzeichen eines Hoheitsrechtes oder Amtes, sondern Wahrzeichen des im Amte vorliegenden Auftrages... Der stab wird gebrochen ‘ut potestate cessante’, weil der dem Richter erteilte Amtsauftrag gegenüber dem Verurteilten zu Ende ist..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut