Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brein - (hersenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brein zn. ‘hersenen’
Mnl. bragen, bregen ‘brein’ [1477; Teuth.], in de samenstelling breynlose ‘hersenloos’ [1486; MNHWS]; vnnl. brein ‘hersenen’ [1555-60; MNW], brijne, breyne ‘hersenen’ [1599; Kil.].
Mnd. bragen, bregen ‘hersens’ (Noord-Duits Brägen; nhd. Bregen); Oost-Fries brein, nfri. brein; oe. brægn (ne. brain); < pgm. *bragna- ‘hersenen’. In de Noordzee-Germaanse dialecten werd -a- tot -e- (*bregna-), en door palatalisering van de -g- ontstond -ei-.
Verwant met Grieks brekhmós, brékhma ‘schedel, voorhoofd’ < pie. *mregh-mo- ‘hersenen’ (IEW 750). De pgm. wortel stamt uit de ablautvorm pie. *mrogh-mo-.

EWN: brein zn. 'hersenen' (1477)
ANTEDATERING: eerst braghenpanne 'hersenpan' [ca. 1440; MNW]
Later: doer sijn breyn 'door zijn hersens' [1458; MNW-P] (EWN: 1486)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brein* [hersens] {bregen 1477, brein 1555-1560} middelnederduits bragen, bregen, fries brein, oudengels bræg(e)n; buiten het germ. grieks bregma, brechmos [schedel], welsh breitheel [hersenen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brein znw. o., laat-mnl. brein ‘hersenen’ beantwoordt aan fries brein ‘hersenen’. De grondvorm is germ. *bragna, vgl. noordoostmnl., mnd. brāgen (naast brēgen), oe. bræg(e)n (ne. brain). — gr. brechmós ‘schedel, voorhoofd’; als idg. grondvorm neemt men aan *mregh-no, dat verder geïsoleerd staat (IEW 750).

De vorm brein < bregin is een typisch ‘inguaeonisme’. In het gron. komt breegns, bragen ‘hersenen van een varken’ voor, in Drente bragen, braogen, in Twente bragen, vgl. ook nnd. bregen (Stapelkamp, Driemaand. Bladen NS 2, 1950, 53-54).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brein znw. o., laat-mnl. brein o. “hersenen”. Vorm uit de fri. getinte diall., = ofri. brein o. “hersenen”, < wgerm. *braʒna-, waaruit ook noord-oostmnl. mnd. brāgen (waarnaast brēgen), ags. bræg(e)n o. (eng. brain) “hersenen”. In ’t Gron., Dr. en Ndd. bestaat nog bragen, bregen, in ’t Fri. brein = “hersenen”. Nhd. bregen m. uit ’t Ndd. Verwant met gr. brekhmós “schedel, voorhoofd”; van een idg. basis mregh-, mrogh- (ĝh?). Verdere combinaties (ags. brëgo, -a m. “heer, vorst”, on. bragr m. “de voornaamste”, gr. árkhō“ik ga voor, heersch”) zijn te vaag.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brein o., Mnl. brein, dial. bregen, bragen + Hgd. brägen, Ags. brægen (Eng. brain) + Gr. brekhmos = bovenhoofd (dan is br- uit Idg. mr-).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brein ‘hersens’ -> Duits dialect † Breyn ‘hersens’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brein* hersens 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut