Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breidel - (toom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

breidel zn. ‘toom’
Mnl. breidel ‘toom’ [1220-40; CG II, Aiol], brejdel ‘id.’ [1240; Bern.], breidele ‘id.’ [1350; MNHWS] waarnaast samenstellingen als breidelmaker ‘teugelmaker’ [1350-1400; MNW].
Gevormd uit de stam van pgm. *bregdan- ‘trekken, vlechten’ met het achtervoegsel *-ila dat ook voorkomt in bijv.beitel, → sleutel, en dat benamingen voor werktuigen afleidt van werkwoorden. De verdere herkomst van het eerste lid is onzeker; zie ook → breien.
Os. briddil (mnd. breidel); ohd. brittil, brīdel (mhd. brittel, bridel); oe. met ander achtervoegsel brigdels (ne. bridle); < pgm. *bregdila-. De vormen met -ei-, -ī- zijn het resultaat van palatalisering van de -g-.
Vanuit de Germaanse talen is het woord ook in de Romaanse talen terechtgekomen: Frans bride ‘teugel, toom’; Spaans brida, Portugees brida, Oudprovençaals brida. Het Engels herontleende het woord aan het Frans: Engels bride ‘teugel’ (veroud.), ‘lus in kantwerk’. Verwant zijn verder Oudfrans bridel; misschien Italiaans briglia en ook Frans bretelle(s), zie → bretel.
breidelen ww. ‘intomen, bedwingen’. Mnl. breidelen ‘tomen, teugels aanleggen’ [1240; Bern.], afleiding van het zn. breidel. ♦ ongebreideld bn. ‘niet onder controle zijnde (van hartstochten enz.)’. Mnl. onghebreydelt ‘zonder teugels, ongetemd’, misschien ook al figuurlijk [1240; Bern.], gevormd uit → on- en het verl.deelw. van breidelen.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 185

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breidel* [toom] {breidel(e) [toom, teugel] 1220-1240} oudhoogduits brittil, oudfries, oudengels bridel, verwant met breien, bretel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

breidel znw. m., mnl. breidel, os. briddil, ohd. brittil, oe. bridel (ne. briddle). De grondvorm is germ. *brigðila, afgeleid van het ww. *bregðan ‘vlechten’. — Zie: breien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

breidel znw., mnl. breidel m. Met -ei- uit -iʒ-. = ohd. brittil, os. (in samenst.) briddil m. “teugel, gebit”, ags. brîdel m. “teugel” (eng. bridle), wgerm. *briʒdila- bij *breʒdan “trekken”. Zie breien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

breidel m., Mnl. id., Os. briddil + Ohd. brittil (Mhd. id.), Ags. brídel (Eng. bridle), alle uit brigdil-, van breien in de bet. van trekken. Ging in ’t Rom. over: Ofra. bridel, Nfra. bride.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bringel zn. m.: breidel, paardentoom. Hypercorrect voor breiel < breidel, geassocieerd met bringen ‘brengen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breidel ‘toom’ -> Indonesisch brédel, breidel ‘toom; verbod; persbreidel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

breidel* toom 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut