Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breeuwer - in de uitdrukking mijn vader was geen breeuwer (ik doe het zelf)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breeuwer* in de uitdrukking mijn vader was geen breeuwer of verbasterd bremer [ik doe het zelf] {1901-1925} doelt op ‘iemand die breeuwt, het “werk” in handen heeft’ → breeuwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bremer (Mijn vader is geen b.). = “inwoner van Bremen”? Breeuwer in dezelfde uitdr. is wsch. jonger.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breeuwer ‘iemand die breeuwt’ -> Duits dialect Brêwer, Brêver, Brewer ‘iemand die breeuwt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut