Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breeuwen - (de naden van een schip dichtmaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

breeuwen ww. ‘de naden van een schip dichtmaken’
Mnl. brawen ‘de naden van een schip met pek dichtstoppen’ [1350-1400; MNW], braeuwen ‘vogels volstoppen, mesten’ [1460-80; MNW]; vnnl. brauwen ‘kalfateren’ [1599; Kil.].
Wrsch. een afleiding van pgm. *brēwō- ‘rand’, dat ook ten grondslag ligt aan mnl. brauwe ‘rand, kroonlijst’ [1432-68; MNW]; zie ook → wenkbrauw.
Mnd. bragen; nfri. brouwe; wrsch. een afleiding van pgm. *brēwō- ‘rand’.
In de 17e eeuw komt de Hollandse vorm breeuwen op naast brauwen; geleidelijk neemt die de plaats van brauwen in.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breeuwen* [naden dichten] {bra(e)uwen [het aaneenhechten van de oogleden van jonge jachtvogels, zomen, breeuwen] 1351-1400} middelnederduits bragen, fries brouwe [kalfaten]. De vorm breeuwen is de hollandse vorm naast brauwen (vgl. wenkbrauw).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

breeuwen ww., dialectische, ws. noordholl. vorm sedert de 17de eeuw naast brauwen, mnl. brāwen, braeuwen ‘zomen, kalefaten’, mnd. brāgen, fri. brouwe ‘kalefaten’. De betekenis ‘zomen’ wijst op een afl. van wgerm. *brāwo ‘rand’, waarvoor zie: wenkbrauw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

breeuwen (kalefaten). Dialectvorm (N.-Holl., ook Kamp., wellicht is ook Goer. brêi klankwettig; vgl. Zeeuwsch-Goer. wĭn(s)brêi, Zaansch wijnsbreeuw “wenkbrauw”, Zaansch greeuw “grauw”), sedert de 17. eeuw voorkomend naast brauwen, mnl. brâwen, braeuwen “zoomen, kalefaten”. = mnd. brâgen, fri. brouwe “kalefaten”. Wsch. een afl. van wgerm. *brâwô- “rand”, mnl. bra(e)uwe v. “rand, kroonlijst”, evenals mnl. braeuwen, nnl. brauwen, breeuwen “de oogen toenaaien” van bra(e)uwe “ooglid, wenkbrauw” komt. Zie wenkbrauw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

breeuwen o.w., dialectvorm i.p.v. brauwen; cf. Mnl. braeuwen, Mhd. brœwen = zoomen, Mnl. braeuwe = rand, kroonlijst, hetz. w. als brauw in wenkbrauw; zoo komt nevens brauwen 1. ook breeuwen voor.

brauwen 2 ono.w., oorspr. vorm van breeuwen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breeuwen ‘naden dichten’ -> Duits brewen ‘naden dichten’; Frans dialect brondir ‘gaten dichtmaken (in een mijn)’; Papiaments breu ‘teer, asfalt; (scheepvaart) naden dichten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

breeuwen* naden dichten 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

352. Mijn vader is geen bremer (of breeuwer).

Dit wordt gezegd als men iemand het werk uit de handen wil nemen en hij het moet opgeven, het onvoltooid moet laten; vandaar dat ook als toevoegsel volgt: ik laat mij het werk niet uit de handen nemen. Vgl. ook in het oostfri.: Ik bin kên Brêmer, ik lât mi 't nich ût de Hand nêmen (Eckart, 61). Een Bremer zijn komt in de 17de eeuw voor bij Winschooten, 6: Het Varken de keel afsteeken, en dan laaten leggen beteekend eeven soo veel, als een Breemer sijn, en Munniken werk doen. Hoe hier Breemer te verklaren is, kan niet met zekerheid worden gezegd; wellicht is het een synoniem van Deen, Jut, poep, mof, Drent, Twent, die alle lomperd, stommeling beteekenen en in de 17de eeuw in dien zin zeer gewoon zijn. De beteekenis kan dan zijn: ik ben van geen domme ouders, ik heb wel iets geleerd. Later is door volksetymologie bremer gewijzigd in breeuwer, eig. iemand die de naden, reten, spleten en voegen van een schip met werk, uitgeplozen touw, dichtstopt. Zie verder het Ndl. Wdb. III, 1273-1274.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut