Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breedbekstrandloper - (slibvogel (Limicola falcinellus))

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

BREEDBEKSTRANDLOPERLimicola falcinellus
Duits Sumpfläufer
Engels Broad-billed Sandpiper
Frans Bécasseau falcinelle
Fries Strânsnip
Betekenis wetenschappelijke naam: slikkenbewoner met sikkelvormige snavel. Het broedgebied van de Breedbekstrandloper ligt in het noorden van Scandinavië, waar hij nestelt in moerasgebieden. Hier te lande is het tijdens de trek een zeldzaam voorkomende gast. De vogel lijkt vrij veel op een Bonte Strandloper maar heeft een wat langere snavel die in het midden verbreed en aan de punt naar beneden gebogen is. Hieraan dankt de soort zijn naam. In het verleden werd hij met de namen Breedbekkige Strandloper, Breedsnavelige Strandloper, Slijktreder en Middelste Strandloper (Tringa platyrhyncha) aangeduid.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Breedbekstrandloper Limicola falcinellus (Pontoppidan: Scolopax) 1763. De naam van deze vrij zeldzame Strandloper (hij was Linnaeus niet bekend) moet wel een voorbeeld van een boekennaam zijn. De breedte van de snavel (= bek) is op het midden van de lengte nagenoeg gelijk aan die van de snavelbasis, wat de vogel voor systematici kennelijk dermate uitzonderlijk deed zijn, dat de soort (later) een van Calidris afwijkende geslachtsnaam kreeg. Overigens heeft deze (Lat Limicola ‘slijkbewoner’; Lat limus ‘slijk, modder’ en Lat incola ‘bewoner, inwoner’ (in)colere ‘bewonen’) niets met dit snavelkenmerk te maken. Dit is dus in het veld niet vast te stellen, zeker niet zonder verrekijker, waardoor de naam geen volksnaam kan zijn. Dat de snavel op het eind acuut iets omlaaggebogen is, is ook niet echt gemakkelijk in het veld te zien. Dit aspect bepaalde de speciesnaam falcinellus (Lat falcinellus ‘sikkelvormig’ falx ‘sikkel’).
Deens Brednaebbet Kaerløber en E Broad-billed Sandpiper benadrukken de gelijkmatige breedte van de snavel, F Bécasseau falcinelle de (verre!) gelijkenis met een sikkel. Pontoppidan gaf in 1763 de naam Falcinellus én een niet herkenbaar plaatje, Brünnich gaf in 1764 een vrij omstandige en eenduidige omschrijving in het Latijn (o.a. “rostro infra nares depresso planiusculo apicibus decurvatis” [Schiøler 1925 p.50]).
BENOEMINGSGESCHIEDENIS N Breedbekstrandloper Breedsnavelige Strandloper [O&V 1925; Van Dobben 1957] Breedbekkige Strandlooper [Thijsse 1944; Albarda 1897]. Schlegel 1858 (p.442) noemt van deze soort de toenmalige wetenschappelijke naam (Tringa pygmaea Lath. of platyrhyncha Temm.); niet de N, maar wel een aanzet daartoe: “... is te onderscheiden door haren naar voren zeer in het oog loopend verbreeden bek.”
ETYMOLOGIE breed: N breed breit; E broad brood brad; deens/noors/zweeds bred, ijslands breiður breiðr; gotisch braiþs; germ *breitha-. Verdere etymologie onzeker. Voor de etymologie van bek, zie aldaar. Zie Strandloper.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut