Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bravo - (goed!)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bravo tw. ‘uitstekend gedaan, goed zo’
Nnl. bravo ‘goed zo!’ [1787; WNT], bravissimo ‘voortreffelijk’ [1824; Weiland].
In de loop van de 18e eeuw, al dan niet via Frans bravo [1738; Rey], ontleend aan Italiaans bravo ‘flink (zo)!’ om een zanger toe te juichen na een goede prestatie, bravissimo is de overtreffende trap; zie → braaf.
Met de verspreiding van de opera is bravo vanuit het Italiaans ook in vele andere Europese talen terechtgekomen, evenals bravissimo.
In het Nederlands wordt bravo ook gebruikt om vrouwen toe te juichen, waar het Italiaans dan de vrouwelijke vorm brava gebruikt.
bravoure zn. ‘vermetelheid; zelfverzekerd vertoon van vaardigheid’. Nnl. bravoure ‘dapperheid, onverschrokkenheid’ [1824; Weiland], ‘vermetelheid, overmoed’ [1919; WNT Aanv.]. Ontleend via Frans bravoure ‘id.’ [1798; Rey], eerder al ‘durf, dapperheid’ [17e eeuw; Rey], aan Italiaans bravura ‘dapperheid’. De betekenis ‘dapperheid, moed’ kwam ook in het Nieuwnederlands voor [1780; WNT Aanv.] maar is verouderd. In muzikale zin komt bravoure eerst vooral voor in de combinatie bravoure-aria ‘zangstuk waarin hoge eisen worden gesteld aan de technische vaardigheid van de zanger(es)’, bijv. bravour-aria ‘meesterlijk gezang’ [1824; Weiland], leenvertaling van Frans air de bravoure of rechstreeks van Italiaans aria di bravura. Later komt het woord ook zelfstandig voor.
Lit.: Francescato 1963

EWN: bravo tw. 'uitstekend gedaan, goed zo' (1787)
ANTEDATERING: "Bravo!" "Bravissimo!" [1756; Lustig 1, 330]
EWN: ♦ bravoure zn. 'vermetelheid; zelfverzekerd vertoon van vaardigheid' (1824)
ANTEDATERING: vnnl. In dese actie heeft ... S. .... sijne Bravoure doen blijcken [1683; Diarium, 46]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bravo1 [goed!] {1784} < italiaans bravo (vgl. braaf).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bravo tw. < ital. bravo ‘flink’. — Zie ook: braaf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bravo tusschenw. Uit it. bravo “flink, voortreffelijk”. Zie braaf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bravo 1 tuss. (wel !), uit Fr. id., van It. id., is het bijv. braaf (z.d.w.) gericht tot dengene dien men goedkeurt, dus = gij zijt braaf, uitstekend, enz.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bravo (Frans bravo)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bravo tussenwerpsel: goed! 1784 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut