Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brasem - (vis (Abramis brama))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brasem zn. ‘vis (Abramis brama)’
Mnl. braesmen ende elften ‘brasems en elften’ [1350-1400; MNW-P], brasemen ‘brasems’ [1350-1400; MNW-P], spierinc, brasem ‘spiering, brasem’ [1400-34; MNW].
Mnd. brassem; ohd. brahsema (mhd. brahsem, brasme; nhd. Brachse, Brachsen, Zwitsers Brachsem; Noord-Duits, Midden-Duits Brasse, Brassen); nzw. braxen < pgm. *brahsmō-. Vormen met -e- zijn os. bressemo (mnd. bressem, bresem) < pgm. *brehsmō- of, met umlaut, < pgm. *brahsimō-.
Volgens de gangbare opvatting een Indo-Europees erfwoord: pgm. *brehsmō-, brahsimō- zou horen bij de wortel pgm. *breh- (waarbij mhd. brehen ‘schitteren, plotseling oplichten’) < pie. *bhreḱ- (IEW 141-142). Dit stuit echter op tal van bezwaren. Zowel de pgm. wortel als de vermeende pie. wortel zijn slecht geattesteerd. De semantiek is niet overtuigend: de brasem is een donkere bodemvis die men niet meteen met een afleiding van een wortel die ‘schitteren’ betekent, zal aanduiden. Ook de ablaut is twijfelachtig: de vormen met palataal vocalisme (bijv. mnl. breesen [1475; MNHWS]) lijken eerder op secundaire i-umlaut terug te gaan. De lengte van de vocaal in het Nederlands en een deel van het Duits is ook problematisch. Mede gezien de beperkte verspreiding van het woord en het betekenisveld is het wrsch. dat het om een substraatwoord gaat.
In het Nederlands gaat de combinatie pgm. -hs- over in -ss- (zoals ook bij Nederlands vos tegenover Duits Fuchs, Engels fox).
Aan Oudfrankisch *brahsima ontleende het Oudfrans de vorm braisme [12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans brème), waaruit dan weer Engels bream ‘brasem’ stamt.
Lit.: D. Boutkan (1999) “Pre-germanic fishnames I: Gmc. ‘bream’”, in: ABäG 51, 5-22

EWN: brasem zn. 'vis (Abramis brama)' (1350-1400)
ANTEDATERING: onl. brasma in de Latijnse zinsnede una brasma, que appellatur stolbraesne 'een brasem die "stolbrasem" genoemd wordt' [ca. 1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braamvis* [familie van makreelachtigen] {1901-1925} het eerste lid is nauw verwant met brasem en betekent dus ‘met glinsterende schubben’.

brasem* [vissoort] {1400-1434} middelnederduits brassem, oudsaksisch bressemo, oudhoogduits brahsema, oudnoors brosma (met andere ablautvocaal), gotisch bairhts [schitterend]; wellicht van een woordbasis met de betekenis ‘schitteren’, waarvan ook stammen middelnederduits brehen [plotseling opflikkeren], oudnoors br(ja)á [fonkelen]. Voor de uitdrukking halfwassen brasem vgl. bakvis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braam 3 znw. m. ‘zeebrasem’, kan men afleiden uit een germ. *brahma, dat naast *brahsma ‘brasem’ staat en evenals deze de vis aanduidt als die met de lichte, schitterende schubben. — Zie: brasem.

brasem znw. m., mnl. brāsem, braessem, onfrank. *brahsima (> fra. brème), ohd. brahsema en brasse, mnd. brassem (dial. brachsem), de. brasen, zw. braxen, dial. noorw. en zw. bressem. Daarnaast staan met ablaut: mnl. bressem, bresen, os. bressemo, mnd. bressem en on. brosma. — Men beschouwt germ. *brahsma als een afleiding van een wt. *brah ‘schitteren, fonkelen’, vgl. mnd. brehen ‘plotseling opflikkeren’, on. brjā ‘oplichten’, bragða ‘fonkelen, vlammen’, die teruggaat op idg. *bhrēḱ ‘glanzen’ vgl. oi. bhrasate ‘vlammen, schitteren’, gr. phorkón Hes. ‘wit’ (IEW 141-142).

Of in de bet. ‘opgeschoten jongen of meisje; onervaren matroos’ hetzelfde woord is aan te nemen, is onzeker. J. Dupont TTv 3, 1951, 68-72 wijst op het woord bakkersbrasem ‘leerjongen bij de bakker’ en wil dit afleiden uit mnl. beraetsam ‘behulpzaam’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brasem znw., mnl. brāsem, braessem m. = ohd. brahsema naast brahsa v. (nhd. brasse(n), ndd. vorm naast dial. brachsem, -en), mnd. brassem m., de. brasen, zw. braxen, dial. noorw. en zw. brasma “brasem”. Ablautend met mnl. bressem, bresen, os. brëssemo, mnd. brëssem m. “id.”. Uit dezen e-vorm fr. brême > eng. bream. De oorspr. bet. kan “de glanzende” geweest zijn. Dan zijn heel wat verklaringen mogelijk. Men leidt *braχsman- enz. wel af van germ. breχw-”schitteren”, waarvan ook komen mhd. brëhen “schitteren”, on. brjâ, brâ “fonkelen”, got. brahw (o.) augins “oogenblik”. Dit wordt door velen met morgen I gecombineerd: br- uit mr-. Ook is een basis bhereq- (waarnaast dan wellicht bhereg-), een variant van de bij berk besproken bases, mogelijk, waarbij ook lit. brė́kszta, brė́kszti “aanbreken”, čech. břesk “schemering” (-sk- uit -q-sq- of -g-sq-; of is čech. břesk, po. brzask een secundaire vorm naast ouder-po. brzazg, obg. pro-brězgŭ? Zie blaken) zouden kunnen hooren. Deze woorden kunnen echter ook idg. mr- hebben. Germ. *ƀraχsman- kan ook van idg. *bhereĝ- of bhereḱ- (zie berk) komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

brasem. Een derde ablautsphase, naast de in het art. genoemde e- en a-vormen vertoont waarsch. on. brosma v. ‘een soort kabeljauw’.
„Got. brahw (o.) augins”, lees: “got. brahw (o.?) augins”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brasem m., Mnl. id. + Ohd. brahsema (Mhd. brahsem, Nhd. brassen), Eng. brasse, Zw. braxem, De. brasen; daarnevens met ablaut On. brosma en met een ander ablaut Os. bressemo, Mnl. bressem, waaruit Fr. brême. Oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

brasem: selde in Afr. as simp. gebr., hoofs. in ss., v. seebaarsie, seebassie en steenbras; in kompo. gew. bras.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brasem ‘beenvis’ -> Engels † brassem ‘beenvis’; Deens brasen ‘beenvis’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brasme ‘beenvis’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans brème ‘beenvis’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brasem* beenvis 1101-1200 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut