Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

branie - (waaghals, lef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

branie zn. ‘waaghals, lef’
Vnnl. Wy en waeren soo branij niet, als veel wel meynde ‘wij waren lang niet zo moedig als velen dachten’ [1617; Koelmans 1963]; nnl. Kijk ereis aan, die wil den brani uithangen ‘kijk eens aan, die wil de grote jongen spelen’ [1883; WNT], een brani officier ‘een dapper officier’ [1884; WNT], Niets van den genialen branie van Lassalle ‘niets van de geniale onverschrokkenheid van Lassalle’ [1896; WNT]; Nu, jij bent een brani, een heer, een kraan ‘nou, jij bent dapper, geweldig’ [1897; WNT].
Ontleend aan het bn. Maleis berani ‘moedig, brutaal’.
Wrsch. is het woord pas in het begin van de 19e eeuw in de algemene taal als bn. overgenomen uit de taal van zeelieden, militairen en oudgasten (WNT). Daarna werd brani(e) al snel een zn.; de spelling branie komt voor vanaf het eind van de 19e eeuw. 't Hart (1998) vermoedt dat het woord in het Indisch-Nederlands een betekenis had die ongeveer identiek was aan de Maleise, en bij het ontleningsproces naar het algemeen Nederlands een overwegend ongunstige betekenis heeft ontwikkeld, waarvan de thans bekende verschijningsvorm branieschopper is afgeleid. Dit stemt niet overeen met de zeer positieve betekenissen zoals die nog in de jaren 1890 voorkomen. De negatieve connotaties begonnen vrijwel gelijktijdig, maar namen later de overhand.
Lit.: L. Koelmans (1963) ‘Vroege branie’, in: NTg 56, 73; M. 't Hart (1998) ‘Piekeren over betekenisveranderingen bij Noesantarische leenwoorden’ in: H. Brems e.a. Nederlands 200 jaar later, Woubrugge, 487-506, hier 495

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

branie [moedig, bluffer] {1866 in de betekenis ‘moedig’; de betekenis ‘bluffer’ 1884} < maleis berani [moedig, dapper].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

branie znw. bnw. laat-nnl. < maleis brani (bǎráni) ‘tot iets de moed hebbend’.

branie [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 230-231 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brani znw., bnw., laat-nnl. Uit mal. brani (băráni) “moedig, den moed tot iets hebbend”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

branie (zn.) 1. durf 2. drukte; < Indonesisch berani.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

branie1 [bluf, bluffer]. Brani is een Maleis woord, waarvan wani het Javaanse equivalent is, ofschoon de Javanen ook soms het Maleise woord gebruiken. Naar de aard van die talen, die wel bijzondere werkwoordsvormen hebben maar niet noodzakelijk substantief, adjectief en werkwoord onderscheiden, betekenen deze woorden zowel ‘stoutmoedig zijn, durven, wagen’ als ‘stoutmoedig, dapper, driest’ en ‘een stoutmoedige, een dappere, een held’. Het woord brani wordt niet slechts in Indië veel door de Europeanen gebruikt, maar is ook in Nederland in de volkstaal ingedrongen. Zo lezen wij bijvoorbeeld bij Van Maurik, Van allerlei slag, p. 32: ‘Kijk ereis aan, die wil den brani uithangen.’ [V]

brani2 [bluf, bluffer]. Maleis berani: moedig, dapper, driest. In Holland schijnt men het woord enkel als substantief te kennen, althans Koenen (uitgave 1903) geeft het niet als bijvoeglijk naamwoord, zoals wij het hier meestal gebruiken. In Holland noemt men de bekende matrozenkraag brani-kraag en heeft men reeds een werkwoord braniën. [P]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

branie(schopper): opschepper, snoever, windmaker; lefgozer. Van het Maleise bijvoeglijk naamwoord berani: moedig, dapper. Vaak gebruikt als uitdaging om te bewijzen dat je iets gewaagds durfde te doen. Vandaar: branieschoppen: zich moedig of dapper gedragen. Het devies van de Ambonese KNIL-soldaten luidde: Brani mati, brani makan pèlor. (Wij zijn niet bang voor de dood, we trotseren de kogels). Zeelui en soldaten hebben het woord in de Nederlandse taal geïntroduceerd. In Indië had brani niet de negatieve connotatie van het Nederlandse ‘branieschopper’.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Mussolini als bijnaam zie die branie toen de Italiaanse troepen in de Woestijnoorlog bij Sidi Barrani verslagen werden.

‘Brani-schoppers!’
‘Opscheppers!’ klinkt het van de achterste rijen; het is alles precies als voor de rust, alleen zijn de rollen nu omgekeerd. (J.B. Schuil, De A.F.C.-ers, 1915)
En die kleine branie pestte van de weersomstuit natuurlijk terug. (Piet Bakker, Ciske de rat, 1941)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

branie (Maleis berani)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Brani(e), het Maleische b.nw. brani (baráni), moedig, stout, iets durvend, bij ons meestal gebruikt met de bet. dapper, vermetel, overmoedig; later is het ook gebruikt: 1e zelfst. voor personen, een brani, een dappere kerel, ook een druktemaker, een lefhebber, en 2e zelfst. voor: drukte, brani maken. Vandaar een w.w. braniën. Brusse, Boefje 37: “Toen snauwde nie ze branie toe: kò snotneus, ga naar je moeder”; 48: “Die stomme maat van Pukkie ze vader had met de centen gebranied”; v. Maurik, Van all. slag, 32: “Kijk ereis aan, die wil den brani uithangen”; Kroniek 1896, 138 a: “Den genialen branie van L.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

branie ‘bluffer; bluf, drukte’ -> Fries brany ‘bluffer; bluf, drukte’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Cultuurstelsel [stelsel van koloniaal beheer, waarbij de bevolking verplicht werd bepaalde gewassen te verbouwen] (1830). In 1830 werd in Nederlands-Indië het zogenoemde ‘Cultuurstelsel’ ingevoerd, waarbij inheemse grondeigenaren verplicht werden om twintig procent van hun cultuurgrond te bebouwen met producten voor de Europese markt. Vanaf dat moment gaan de koloniën voor het eerst een ‘batig saldo’ opleveren. De verantwoordelijke ambtenaren krijgen een vorm van provisieloon, de zogenoemde cultuurprocenten, en hebben dus persoonlijk belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst. Multatuli stelt dit in 1860 in zijn Max Havelaar aan de kaak. Terwijl de Nederlanders vóór circa 1830 telkens slechts betrekkelijk kort in Indië verbleven en er niet veel vermenging was met de inheemse bevolking, verandert dit in de loop van de negentiende eeuw: de Nederlanders – vooral mannen – blijven langer, gaan samenwonen of trouwen met Indonesische vrouwen en krijgen kinderen bij hen. Steeds meer Indonesiërs kennen Nederlands. In deze periode beginnen de Indonesische leenwoorden het Nederlands binnen te stromen, bijvoorbeeld baboe, beo, branie, desa, gamelan, gladakker, gonje, guttapercha, kali, kassian, klamboe, lombok, mandiën, nasi, negorij, rimboe, sambal, sarong, soesa en toko. In de negentiende eeuw ontstaat ook het Indisch-Nederlands, het Nederlands zoals gebruikt in Indië, met Indonesische leenwoorden en bijzonderheden in uitspraak en grammatica.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

branie bluffer 1884 [WNT] <Indonesisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

346. Brani(e),

d.w.z. een waaghals, maar ook een bluffer, een geurmaker, een heer. Branie is een maleisch bijv. naamw. brani, b[a bakje]ráni, dat moedig, stout beteekent (Veth, Uit Oost en West, 313), in welken zin het voornamelijk in Ned.-Indië gebezigd wordt (zie Ndl. Wdb. III, 1137). Daarna is het toegepast op personen, die veel durven wagen in den zin van durfal maar ook in dien van kraan, bluffer. Vgl. Jong, 180: Branie! pietschopper! blufhannes! scheldt de meid; Slop, 242: Een heele branie jij met je boorretje en je stropdas! Kmz. 118: Al ben je nog zoo'n brani op de beurs; Landl. 2: Toon was een branie; verder Landl. 107 (jou leelijke branie!); Boefje, 153; Leersch. 119; Amst. 147, 148; Sjof. 17; De Arbeid, 3 Jan. 1914 p. 4 k. 2 (den branie uithangen); Speenhoff III, 51:

 Ieder een, die om een zoen an d'r vroeg,
 Vond ze voor zoenen geen brani genoeg.

Als bijwoord komt branie voor in Handelsblad 30 Aug. 1915 (O.) p. 2 k. 3: Benzine-officieren branie doende in hun kranige pakjes; Landl. 355: En 'k smeet branie m'n laatste kwartje op de toonbank; Landl. 2: Zijn breede borst branie opgespannen, zoo ging die spierkrachtige postuur door allen tegenslag heen; Dievenp. 55: Deze was zóó driest, dat hij op 'n goeien dag op de Prins Hendrikkade branie op me toestapte en 'n praatje met me begint. - Ook in den abstracten zin van de eigenschappen van een branie, kranigheid, bluf, komt het voor; vgl. de uitdr. branie schoppen of maken, bluffen, geurmaken; Handelsblad 3 Febr. 1913 (A.) bl. 9: Jan Student heeft branie, opgewondenheid en levensvreugd; Jord. 107: Dan vervloekte ze Corry om haar groosigheid en branie; V.v.d.D. 115: Maar de branie zat me in m'n kop, omdat 't me wat al te gemakkelijk afging naar m'n zin; Lev. B. 11: Met een branie as 'n Amsterdamsche schutter; Menschenw. 223; Jord. II, 111; 120; 251; branie slaan in Het Volk, 12 Aug. 1915 p. 1 k. 2; Nw. School, VII, 143; branie snijden (V. Ginneken I, 496). Met dat znw. worden velerlei znw. samengesteld, als: Zoo'n half mensch met zijn lange haren en zijn braniefluweel (Handelsbl. 16 Juni 1913, avondbl. p. 6, k. 4); branikerel (Jong, 173); branie-gangetje (Jord. 298); branieboord (Jord. 58); braniekraag (Jord. 65); branieschepsel (Jord. 194); braniebroekje (in Handelsbl. 13 Febr. 1913, ochtendbl.: Zij (de Tweede Kamer) gunt het Zaanlandsche braniebroekje (de afgevaardigde Duys) wel zoo iets); branimaker (in H.v.Z. 59); braniejak (in Jord. II, 341); branielurk (in Jord. II, 443); braniemaker, branieverkooper (Van Dale), enz. Van dit znw. zijn verder afgeleid een bijvn. - bijw. braniig, een znw. braniachtigheid en een wkw. braniën; vgl. Boefje, 227: Een flinke vent die braniig diep groette met zijn pet; bl. 234: Braniig pufte hij de groote sigaar aan; Landl. 360: Ik moest lachen, omdat ie dan zoo heelemaal niets wist, 't braniëge Jantje, hoe schrikbarend schorem ie er toch uitzag. - Boefje, 77: En die stomme maat van Pukkie ze vader had met de cente gebranied: hij had er mee gerammeld en ze late kijke; Landl. 80: Allemaal braniënde jantjes, marineklanten; Boefje, 35: Die liet zich meevoeren door den braniënden, sterken Jan; Zandstr. 104: Die kolonie van gammele, vervuilde huizekens..., waar gebeden werd, gevloekt, gekoesterd, mishandeld, gemoord, gezongen, getierd, gebrast en gebranied, kortom de Polder; Sjof. 165: Z'n blauwe pak waar die lekker mee braniede; Propria Cures, XXVI, 154: Een studentikoos, iemand die braniet op zijn student zijn; De Amsterdammer, 8 Nov. 1914 p. 7 k. 1: Een jongmens met gladgeschoren gezicht en slappe hoed braniet het café binnen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut