Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brandweer - (blusdienst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

brandweer zn. ‘blusdienst’
Nnl. brandweer ‘blusdienst’ [1828; WNT].
Leenvertaling van Duits Feuerwehr, letterlijk ‘vuurweer’ [19e eeuw], met → brand en → weer 3, → weren.
Het huidige woord heeft dus geen rechtstreekse voorloper in mnl. brantwere en brantweringe ‘het stuiten van brand’ [1401; MNHWS]. Vóór de opkomst van brandweer werd meestal de vorm brandwacht gebruikt, die tegenwoordig dan weer (in een enigszins andere betekenis) als parapluterm voorkomt voor ‘brandweerman, -vrouw’, een “sekseneutrale (beroeps)benaming (die) spontaan ingang gevonden” heeft in de Nederlandse taal (Cohen).
Lit.: H. Cohen (1997) ‘Ministerin, première, bodin... Vrouwelijke beroepsnamen: Zuid versus Noord?’, in: OT 66, 10-12

EWN: brandweer zn. 'blusdienst' (1828)
ANTEDATERING: eerst het onderhouden der Brandweeren 'het onnderhouden van de hulpmiddelen bij het blussen' [1769; Jaerboeken 2, 1131]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brandweer* [dienst voor het blussen] {1828} gevormd naar het voorbeeld van hoogduits Feuerwehr. In het middelnl. bestond reeds brantweer [brandblussing, gereedschap daartoe] {1476-1500}.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

brandweer s.nw.
1. Afdeling met die nodige toerusting wat brande blus en teen brandgevaar waak. 2. Gebou waarin 'n brandweer (brandweer 1) gehuisves word.
In bet. 1 uit Ndl. brandweer (1828). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Ndl. brandweer is 'n samestelling van brand 'brand' en weer 'keer, afwend', gevorm na analogie van D. Feuerwehr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

brandweer (vert. van Duits Feuerwehr)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brandweer ‘organisatie belast met het blussen van branden’ -> Indonesisch † blangwér, brandweer, branwir ‘organisatie belast met het blussen van branden’; Javaans branwir ‘organisatie belast met het blussen van branden’; Papiaments brantwer ‘organisatie belast met het blussen van branden’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

gaskachel [kachel die met gas gestookt wordt] (1866). In de negentiende eeuw neemt de verwarming met gaskachels neemt enorm toe: vanaf 1866 verschijnen er advertenties voor gaskachels in de kranten. Neerlandicus Jan te Winkel constateert in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “De gassen waren in de natuurwetenschap al lang bekend, toen omstreeks het midden onzer eeuw het lichtgas in de algemeene spreektaal werd ingevoerd door het stichten van gasfabrieken, het werken der met huid en haar van de Engelschen overgenomen gasfitters, het in gebruik brengen van gaslantaarns, gaslampen, gaskranen, gasornamenten, gashouders, gasmeters, gaskomforen, gaskachels en gasgloeilicht. Het Engelsche “burner” vertaalden wij met brander, dat als marinenaam uit den tijd onzer zeeoorlogen nog maar alleen in de herinnering voortleefde. In concurrentie (ook dat woord is eerst allengs in de spreektaal gekomen) daarmee zag men al spoedig de petroleum verschijnen, aanvankelijk door het volk meestal peterolie of petroléum genoemd. De lucifer dagteekent reeds van even vóór 1850, maar zonder zwavel van een tiental jaren later. Deze heet nog altijd Zweedsch, ofschoon hij tegenwoordig ook elders dan in Zweden wordt vervaardigd. Intusschen is met de zaak ook het woord “zwavelstok” bijna geheel in onbruik geraakt. De vroegere quaestie of “open haard” een pleonasme was, is reeds lang van de baan. De “huiselijke haard” bestaat bij velen nog maar in de verbeelding of de herinnering: nu moet men van de huiselijke vulkachel spreken, als men zich niet te rhetorisch wil uitdrukken. Als verbeterde inrichting der openbare brandblussching heeft men in de tweede helft onzer eeuw in verschillende steden onder Duitschen naam eene brandweer ingevoerd, en woorden gemaakt als brandschel en brandkraan. Ook eene samenstelling als stoombrandspuit was met de zaak voor vijftig jaar nog onbekend, en lang zal het niet meer duren of niemand weet meer, wat “brandemmers” zijn.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brandweer* dienst voor het blussen 1828 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

brandweer: gaan als de —, informele uitdrukking voor ‘erg snel gaan’. Bijvoorbeeld gezegd van auto’s.

We hoeven u niet uit te leggen dat de Z07 gaat als de brandweer. (De Echo, 17/12/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut