Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

branding - (het woelen en schuimen van golven aan de kust)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

branding zn. ‘het woelen en schuimen van golven aan de kust’
Vnnl. branding ‘branding’ [1676; WNT].
Volgens Winschooten 1681 is branding zo genoemd omdat het opstuivende schuim op rookwolken lijkt. Het woord zou dan bij → brand behoren.
In de 18e eeuw is het woord in het Duits overgenomen als Brandung.

EWN: branding zn. 'het woelen en schuimen van golven aan de kust' (1676)
ANTEDATERING: eerst branding 'brandstof' [1526; iWNT kool I]
Later: de groote branding van de zee [1642; iWNT mossel II] (EWN: 1676)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

branding* [golfslag] {1652-1662} van branden; vgl. voor de betekenis latijn aestus [gloed, branding].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

branding znw. v. Dat het schuimen van de golven in de branding met gloed vergeleken wordt, vinden wij ook in lat. aestus. Overigens is te denken aan bron, waarin ook de oude bet. ‘opwellen, opborrelen’ voorkomt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

branding znw. Bij branden. Voor de nnl. bet. “branding van de golven” vgl. lat. aestus “gloed, branding”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

branding v., + Hgd. brandung, afgel. van branden, dat van de zee bet. bruisen en schuimen tegen de kusten en rotsen, als ziedend water.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bran’ding (de, -en), (voetbalterm) spannende, verwarde situatie voor het doel, doelworsteling. - Etym.: Vgl. WNT (1902): Zeer dikwijls in fig. toepassing op gevaren ().’ Het geldt dan een vergelijking met de branding van de zee. Nu in deze bet. in AN veroud. - Syn.: scrima*, scrimage*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

branding ‘het schuimend breken van de golven tegen het strand’ -> Duits Brandung ‘het schuimend breken van de golven tegen het strand’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens brænding ‘het schuimend breken van de golven tegen het strand’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors brenning ‘golfslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bränning ‘het schuimend breken van de golven tegen het strand’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo plana (ouder: prana) ‘golfslag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

branding* golfslag 1652-1662 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut