Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

branden - (in brand (doen) staan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

branden ww. ‘in brand (doen) staan’
Onl. anbranton mit fuiri heilicduom thin (met voorvoegsel; pret. 3e pers. mv.) ‘zij staken met vuur uw heiligdom aan’ [10e eeuw; W.Ps.], herbrinnot ‘ontbrandt’ [10e eeuw; W.Ps.], brennan ‘branden’ [ca. 1100; Will.], thaz branda siluer (verl.deelw.) ‘het gebrande zilver’ [ca. 1100; Will.]; mnl. barnen, bernen, branden, bijv. in dat man dar inne brente die kinde ‘opdat men daarin de kinderen zou verbranden’ [1201-25; CG II, Floyr.], te puluere gebrant ‘tot poeder verbrand’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], branden ‘branden (in de hel)’ [ca. 1370; MNW arch].
De andere Germaanse talen hebben allemaal een vorm zonder -d-. Os. brinnan, ohd. brinnan; oe. birnan, beornan (met metathese) (ne. burn); on. brinna (nzw. brinna ‘branden’); got. brinnan; van het sterke werkwoord pgm. *brinnan- ‘branden’. Daarnaast os. brennian ‘verbranden’ (mnd. bernen (met metathese)); ohd. brennen (nhd. brennen); ofri. berna, burna (met metathese) ‘branden, verbranden, aansteken’ (nfri. baarne, barne, brâne); oe. bærnan (met metathese); on. brenna (nzw. bränna ‘verbranden’); got. ga-brannjan van een zwak werkwoord pgm. *brannjan- ‘verbranden’ (oorspr. het causatief bij het sterke werkwoord). Sterk pgm. *brinnan- < *brinn- ‘(ver)branden’.
De stam pgm. *brinn- wordt meestal gezien als een afleiding van pie. *bhreu- ‘zich heftig bewegen’ (waarbij ook Latijn fervēre ‘koken, borrelen, gloeien’; Iers berbaim ‘ik zied, kook’), waarbij alleen het Germaans een nasaalinfix zou vertonen: *brenw- > *brenn-. EWgsV denkt aan pie. *gwher- ‘branden’ waarbij ook Latijn formus ‘warm’ hoort, zie → thermo-. Het zou gaan om een -nw-presens. Het is dan echter niet duidelijk hoe de labiovelaar zich heeft ontwikkeld. Gezien de verwanten in het Latijn en Iers, het nasaalinfix en het betekenisveld kan misschien beter aan een substraatwoord worden gedacht; zie ook → braden.
De oorspr. Nederlandse vorm van het werkwoord was bernen, barnen ‘(ver)branden’ [1277; CG I, 356], dat zowel sterk (barn/bornen/ghebornen) als zwak (barnde/ghebarnt) vervoegd werd. Naast de verleden tijd barnde en het verl.deelw. gebarnt ontstonden al vroeg, wrsch. onder invloed van het zn.brand, de zwakke vormen brande en gebrant, waarbij door verkeerde interpretatie van deze verleden tijd een nieuwe infinitief branden ontstond. Het sterke werkwoord is al in het Middelnederlands verregaand verdrongen door het zwakke, zoals blijkt uit de vindplaats Nemt gebornen calc, dats gebernt calc ‘neem(t) gebrande kalk’ [1351; MNW].
Lit.: Loey 1969; M. Philippa (1997) ‘Branden’, in: OT 66, 96

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

branden* [in vuur en vlam staan] {1445, naast bernen 1220-1240, barnen 1277} de vorm branden is ontstaan o.i.v. het zn. brand; de betekenis was zowel in brand staan als in brand steken; de ‘gewone’ en de causatieve vorm zijn samengevallen; vgl. oudsaksisch, oudhoogduits brinnan en met metathesis (zoals in de nl. vormen bernen barnen), oudengels biernan [in brand staan], naast oudsaksisch brennian, oudhoogduits brennen, met metathesis oudengels bærnan [in brand steken]; buiten het germ. wellicht latijn fervēre [gloeien, koken], middeliers berbaim [ik kook] → brouwen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

branden ww., jongere, maar reeds mnl. vorm naast bernen, barnen, bornen (opgekomen deels onder invloed van brand, deels van het praet. brand(d)e). Door metathese zijn de mnl. vormen ontstaan uit een germ. *brinnan st. ww. en een causatief *brannjan zw. ww., vgl. voor het eerste os. ohd. brinnan, oe. biernan, on. brinna, got. brinnan, voor het tweede os. brennian, ohd. brennen, oe. bærnan (ne. burn), on. brenna, got. gabrannjan. Beide ww. zijn door elkaar gelopen in het mnl. evenals mnd. bernen, barnen, burnen en ofri. berna, barna. — Buiten het germ. alleen mierse wt. *brenn- ‘opborrelen’ (vgl. Pedersen, Kelt. Gramm. II § 671). — Zie: bron, bruisen en braden.

Misschien mag men verder deze woorden terugvoeren op een idg. wt. *bhere(u) ‘zich heftig bewegen’, vgl. lat. ferveo, miers berbaim ‘koken, zieden’. — Een andere verklaring beproeft J. Trier, Holz 1952, 87: hij herinnert aan het primitieve gebruik een stuk bos af te branden om de grond daarna in cultuur te brengen; dan is dit een facet van het oude bosbedrijf; de wt. *bhereu leidt hij af van *bher, waarmee dan ‘het kappen van het hout’ zou zijn aangeduid (zie verder: boren)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

branden ww. Reeds in het Mnl. opgekomen naast ouder bernen, barnen, bornen, die met metathesis (vgl. dorsen) zoowel uit *ƀrinnanan als uit *brennen > *ƀrannianan waren ontstaan. Ospr. was *ƀrinnanan intrans. en sterk, *ƀrannianan, een causatief-formatie, trans. en zwak. In het Mnl. kwam een praet. barn, bran, mv. bornen nog wel eens voor, ook vinden wij een praet. brande = ohd. branta (os. gibrand verl. deelw.); maar de gewone vormen zoowel trans. als intrans., zijn ber(re)nde, bar(re)nde. Mnl. nnl. branden is onder invloed van het znw. brant, nnl. brand, en (in mindere mate) van het praet. brande (nnl. brandde) opgekomen. Het Wvla. kent nog den vorm barnen. Zoowel *ƀrinnanan als *ƀrannianan zijn oergerm.: ohd. os. brinnan, ags. biernan, on. brinna, got. brinnan “(ver)branden” intrans.; ohd. brennen (nhd. brennen, ook intrans.; mhd. nog niet), os. brennian, ags. bærnan (eng. to burn, ook intrans.), on. brenna, got. ga-brannjan “(ver)branden” trans. In mnd. bernen (barnen, burnen), ofri. berna (barna) “(ver)branden” trans. en intrans. zijn als in ʼt Mnl. de beide ww. al door elkaar geloopen. Germ. *ƀrinn- is wsch. uit idg. bhren-w- ontstaan. Met bhren- staat in ablaut germ. ƀrun- in ags. bryne m. “brand, vuur”, on. bruni m. “brand”, ohd. pronado, ags. bruneða m. “naam van een ziekteverschijnsel”. Van dezelfde basis komen ier. brennim “ik borrel op”, bru(i)nnim “ik stroom”. De verklaring van de ier. nn uit nw is zeer dubieus; is ze juist, dan is ʼt met het oog op ier. berbaim “ik kook”, lat. ferveo “ik kook, bruis” mogelijk, dat n infix en de basis bhreu- is. In ieder geval zijn al deze vormen met het germ. ww. verwant. De bet. van de basis bhre-, verlengd bhre-u-, bhre-n-w-, bhre-n- was “in beweging zijn, zieden”.Voor verdere verwanten zie nog bron, bruisen, braden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

branden. Over de aan het eind van het art. genoemde ierse vormen (ier. nn in brenn- niet uit nw) zie WP. II, 157 vlgg., 167 vlgg. Daarheen moge ook verwezen worden voor beschouwingen over de formele verhouding tussen de kortere en langere bases, waarop de onderling verwante woorden wijzen. Aan de ald. geciteerde literatuur kan worden toegevoegd Meillet, Streitberg-Festgabe 261.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

branne (ww.) branden; Aajdnederlands brennan <1100>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

borren, burren, beënen, ww.: branden. Door klinkerronding uit berren, door assimilatie rn > rr uit Mnl. bernen ‘branden’, door metathesis naast D. brennen. Sterk en onovergankelijk werkwoord Got. brinnan, Mhd. brinnen ‘in vuur staan’, naast zwak causatief ww. Got. gabrannjan, Mhd. brennen ‘doen branden’. Met metathese ook E. to burn, Oe. beornan, bærnan. Vgl. de FN Borrewater ‘brandewijnbrander, jeneverstoker’: 1268 R. Bernewater, Diepenbeek (Debrabandere 2003).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

beeënen, borren branden (Limburg). ≠ branden, maar = mnl. bernen ‘id.’, got. brinnon ‘id.’. Van een wortel die ‘zich heftig bewegen’ betekent en ook aanwezig is in lat. fervere ‘zieden’. Nl. branden is onder invloed o.a. v.h. znw. brand analogisch uit *brennen vervormd.
Regionale geschiedenis … Jansen 1998, 283-291.

bùrre branden (Venlo). = mnl. bernen = got. brinnan ‘branden’ = eng. burn ‘branden’. Van een basis die ook aanwezig is in oiers brennim ‘ik borrel op’ en lat. fervēre ‘koken’ en ‘zich heftig bewegen, koken’ betekent.
Alsters e.a. 106.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

branden (brandde, heeft gebrand), (ook.) A. onoverg. 1. (voetbalterm) hard schieten. - 2. dicht bij de oplossing van een raadsel zijn. Brand ik? - B. overg. 1. (niet alg.) bakken in een vuur (pot e.d. aardewerk). Ofschoon er bij het vormen goed gelet wordt op de aanwezigheid van luchtbellen of verontreiniging in de klei, en al te dikke stukken, zoals sommige handvaten of pootjes, hol gehouden en van ventilatiegaatjes voorzien worden, barsten er altijd nog wel enige vormen tijdens het ‘branden’ (Helman 1978: 142).- 2. voor niets laten komen, een afspraak niet nakomen (met); teleurstellen. Jacqueline, ik kom je vanavond halen, maar je brandt me niet, hoor! (mond.). - Etym.: (A.1) Vgl. AN b. = o.m. vuren met geschut, losbranden. (A.2) Vgl. AN ‘warm zijn’, ‘zich branden’ = o.m. id. (B.2) S bron = o.m. id.
— : een (kost)grond(je) branden, het hout dat na het lakken* op een pas gekapt* grondje* (grond*, 7; kostgrond*, 3) is achtergebleven verbranden. Het was reeds grote regentijd*. Abango had in de maanden die voorbij waren drie kostgronden opengekapt*, gebrand en plantklaar gemaakt (Dobru 1980: 55).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

branden. In het zuiden van het taalgebied werd de volgende zelfverwensing gebruikt: ik wil eeuwig branden! Deze oorspronkelijke eedformule betekende ‘ik wil eeuwig branden als wat ik beweer niet waar is’. De godheid wordt aangeroepen op staande voet te straffen, als men gelogen heeft. IJdel gebruik en meineed maken de formule tot vloek. Thans wordt ze meestal gebruikt als uitroep van verontwaardiging, irritatie en frustratie. Van Eijk (1995: 136) kent ga je gat maar branden! ‘bekijk het maar, verdwijn uit mijn ogen’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Barnen = in ’t barnen der gevaren. Barnen of bernen is een metathesis van een oud werkw., in ’t Got. bijv. brinnan = branden, gloeien. Hiervan werd een causatief gevormd: Got. brannjan, Os. brenn(i)an = doen branden, verbranden. De zwakke verl. tijd van dit brannjan gaf aanleiding tot een nieuw werkw., n.1. branden. In ’t barnen der gevaren, is dus: in ’t branden, het dreigen der gevaren. (In een kroniek van ± 1480 leest men nog: Hoe die Hollanders Baarn „bernden”.) – In barnsteen herinnert het eerste lid eveneens nog aan den ouden vorm barnen; ’t woord bet. n.1. brandsteen = steen die kan branden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

branden ‘in vuur en vlam staan’ -> Negerhollands bran ‘heet, brandend; in vuur en vlam staan; bakken, braden’; Berbice-Nederlands brandi ‘in vuur en vlam staan’; Skepi-Nederlands brant ‘in vuur en vlam staan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

branden* in vuur en vlam staan 1445 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

251. Beter hard geblazen dan den mond verbrand ( of gebrand).

Sedert de 17de eeuw zeer gewoon in den zin van het is beter veel, misschien onnoodige drukte te maken ter voorkoming van ongelukken, dan schade te lijden. Zie Spieghel, 279; Coster, 40, vs. 902: Beter dat je stijf blaest dan datje je mongt barrent; Smetius, 77; De Brune, 230:

 't Is beter blaezen t'aller stond,
 Als datmen heel verbrand zijn mond.

Zie verder Paffenrode 51; Tuinman I, 279; Van Effen, Spect. VI, 112; IX, 66; Antw. Idiot. 248: t Is beter geblazen als de(n) mond verbrand (zoo ook Waasch Idiot. 122 b); Ndl. Wdb. II, 2807; Joos, 210: Te heet gegaapt is te laat geblazen; voor het nd. Taalgids IV, 250; Eckart 45; 46. In het fri.: better wol to bliezen as de mûle barnd of better út in heech gat bliesd as de mûle barnd; hd. besser hart geblasen, als sich den Mund verbrennen (Wander I, 331).

444. Dominé brand je bekje (of befje) niet,

zegt men om iemand te waarschuwen niet iets te eten of te drinken dat zeer warm is; ook in 't algemeen als aanmaning om voorzichtig te zijnBij ‘dominee’ zal wel niet aan een predikant gedacht moeten worden. Het is een uitroep met de beteekenis: o heer! of een verbastering van God verdomme.. Vgl. Harreb. I, 44: Dominé! brand je bekje niet; Menschenw. 328: Dominie hiet! paa's d'rop en bran je bekkie niet, schaterde de Bode; bl. 517: Domeni hiet.... brand je bekkie niet! Molema, 501: Doomnie, bran joen bekje nijt, 't is koffie van eerguster, in ernst van heete, in scherts van lauwe koffie gezegd; fri. poeske baern de bek net! (Aanv.) Zie Ndl. Wdb. II, 1351, waar als antwoord op deze waarschuwing vermeld wordt: Pastoor, ik ben zoo'n gekje niet.)

1398. Branden als een lier,

d.w.z. uitstekend, flink branden, wel bekend uit het liedje: Jan brandt de lamp nog? Moeder, als een lierOok in het Nd.: Frans, brannt de Lamp noch? Jo, Moeder, as en Lier. Abraham, wat dühste dann? Eck sett bei de Mäd an 't Für (Eckart, 122).. Ook zegt men het gaat als een lier, fri. it giet as in liere, 't gaat zonder haperen, 't gaat van zelf, gesmeerd; meest van een machinalen arbeid gezegd (Molema, 244 b en Taalgids V, 171), dat in de 17de eeuw wordt aangetroffen bij J. Oudaen, Haagsche Broedermoord, 58: Wat mag de gek wel meenen, dat alles als een lier zoo glad gaat? en in de 18de eeuw in Alewijn's Puiterv. Helleveeg, 33. In deze laatste zegswijze kan men lier opvatten als een horizontaal geplaatsten kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen; ook, in eene vischschuit, om het net neer te laten en op te halen (Van Dale). Op deze beteekenis wijzen uitdr. als afrollen als een braadspit (Wildsch. I, 226); het Vlaamsch als een babijn (klos) en de uitdr. het gaat als een veer, als een vinketouw, die worden geciteerd in het Ndl. Wdb. V, 12. Vgl. ook he knows it off the reel (haspel). Aan (Zoo glad) gaan als een lier ontleende als een lier de beteekenis van flink (zie Ndl. Wdb. VIII, 2131). In Zuid-Nederland zegt men blijkens De Bo, 631: het gaat gelijk eene liere op eenen stok of het gaat gelijk eene liere des zondagsVgl. Br. v. Abr. Bl. I, 187: De eerste veertien dagen, gaat dat als een lier op een Zondag (zoo ook bij Harreb. II, 28). Bij Adama v. Scheltema, Van Zon en Zomer, bl. 17: 'k Sloop zachtjes door de bronzen wei, het zong er als een lier.; bl. 1409: het gaat gelijk eene liere (fr. vielle) met eene wrange, waarnaast ook gebruikt wordt: het gaat gelijk een fluitje (van een oordje of een duitje) (Schuerm. 136 a en Bijv. 83, 84; Rutten, 68; Joos, 16; Tuerlinckx, 190 en ook Fri. Wdb. I, 372); het gaat als eene klok (Schuerm. 255); - een soese (De Bo, 1058); - een zoeve (b. 1438); - een lampte (bl. 606); - een babijntje (bl. 71); - een smisken (vuurwerk; Joos, 16; vgl. eng. like a house on fire). In Groningen 't gaat as 'n david (Molema, 77 b).

2138. Spottershuisjes branden,

d.w.z. het ongeluk dat heden den een treft, kan morgen ook den ander, die er mee spot, treffen. De uitdr. dag. teekent uit de 16de eeuw, blijkens Campen, 6: Spotters huys brandt oock wel; zie verder De Brune, 489: Spotters huys dat brandt oock wel; Tuinman I, 370: Spotters huis brand ook wel. Gods wraakoordeelen overkomen ook spotters zelf in datgene, waarover zij anderen beschimpt hebben; Harrebomée I, 345; Handelsbl. 14 Maart 1920 p. 1 k. 1: Bij ongunstig weder zal de revolutie in de zaal plaats hebben, zoo spotten we indertijd. Maar spottershuisjes branden licht, en weldra had toch wis en warempel een omwenteling plaats; Taalgids, V, 169; Molema, 161: Spotters hoeskes branden licht, het spotten kan licht den spotter treffen; fri. spotters huskes reitsje in 'e brân; spotters krije spotters lean; Afrik. spotter se huis brand ook af; nd. spotters huus brennet am êrsten; spotthüsere brennt âk (Eckart, 496).

2294. Beter te trouwen dan te branden,

d.i. beter te trouwen dan in stilte te verteren van onbevredigden hartstocht. De woorden zijn ontleend aan 1 Cor. 7, 9: Het is beter te trouwen dan te branden, d.i. ‘ter voldoening zijner neigingen een wettig huwelijk te sluiten dan een onheilig vuur in zich zelven te laten woeden en daardoor tot ongeoorloofde blussching van dien hartstocht vervoerd te worden’ (Zeeman, bl. 111). Vgl. Sp. II7, 27, 97: Huwelijc es in eeren geset.... ende hets beter dan .... verbranden; Con. Somme, bl. 455: Dits (weduwschap) een staet die sinte Pauwels seit ende seer pryst totten weduwen: dat sij hem in sulcken staet houden sullen, ist dattet hem ghenoecht; ende en ghenoechtet hem niet, dat sij huyliken, want sekerre is te huweliken dan te bernen; Cats I, 101: Beter gemant dan gebrant:

 Vriendinne ken u self, het is u minder schant,
 Voor alle man getrout, als heymelijck gebrant.

Zie verder De Cock2, bl. 156; fri. better to trouwen as to barnen.

2400. De (of zijne) vingers (of zich) branden,

‘zich (onwetend) aan iets vergrijpen en daarvoor boeten, zich door onvoorzichtigheid in moeilijkheden wikkelen, zich bedrogen vinden in een koop, tegen de wet handelen’Ndl. Wdb. III, 1077; V, 1782.; hetzelfde als het lat. sibi asciam in crus impingere; zich in de vingers snijden (Diamst. 138; Het Volk, 8 Juni 1914, p. 8 k. 2); zijne handen of zich de handen branden (zie Lichte Wigger, 10 r; Boere-kermis, 232In Zuid-Nederland (ook dial. in Noord-N.) beteekent ‘zijn hand of zijn vingers (ver)branden,’ iets dat een ander toebehoort, bij vergissing nemen. Vgl. Giertje Wouters, 1: Ick docht al soetjes Peetemarry, soo en barn ick mijn hant niet. Gewoon in kaartspel, wanneer iemand een slag neemt, die hem niet toekomt (Teirl. II, 12).; in de 17de eeuw zijn gat schrapen; bij Tuinman I, 310: zijn aars krauwen. Vgl. Van Effen, Spect. IV, 15; Halma, 91: Zig branden, zijne handen branden, zig ergens in bedrogen vinden; Sewel, 140: Zyne vingers branden, to burn one's fingers; zyne handen branden, zich bedroogen vinden in een koop; Harreb. II, 381; III, 14; Kmz. 308; 350; 375; Kalv. I, 12: Neem een goeie raad van mij aan..... Hou je handen er àf..... je brandt je; Dievenp. 121: De hoofdpersoon zorgde wel dat hij z'n vingers niet schroeide; Nw. School I, 103: Echte papieren paedagogen, die voor een klas gezet worden, waar ze zich dan geregeld de kromgeschreven vingers branden; VIII, 388; Joos, 73: in zijn eigen vinger snijden, tegen zijn eigen belang handelenIn Zuid-Nederland zegt men dit ook van iemand die een wind gelaten heeft; zie Antw. Idiot. 1140; Waasch Idiot. 714; Harreb. II, 381 b.; fri. yen yn 'e fingers fege; fr. s'échauder; se brûler les doigts, sa culotte, ces fesses; eng. to burn (or to cut) one's fingers; hd. sich die Finger verbrennen, ook sich den Mund verbrennen, zijn mond voorbij praten; sich schneiden, zich vergissen (Borchardt, 1053).

2426. Vlammen op iets,

d.i. hevig naar iets verlangen, een brandende begeerte hebben naar iets, vurig naar iets verlangen, verhit zijn op iets, heet zijn op iets, geilenNdl. Wdb. IV, 909. op iets, branden naar iets; gebrand zijn op iets; lat. ardere ad of in aliquid. In de 17de eeuw zeer gewoon; vgl. Vondel, Palamedes, 318; Lucifer, 1863; VI, 288:

 Terstont begint het hart der schoone bruit te blaecken,
 T' ontvoncken, en zy vlamt op d'aangepreze vrucht.

Brederoo l, 279: So haest as ick jou sach, heb ick op jou evlamt; bl. 287: Ick vlamde daer op as ien boer op ien boeckede-koeck; Coster, 466, vs. 322; Pers, 630 b; Tuinman I, 257: Hy vlamt daar op, dat is, hy is met eene brandende begeerte daar toe ontsteken; Sewel, 896: Vlammen op buit, to be hot upon prey; Halma, 732: Vlammen, begeerig zijn, verlangen, brûler, désirer ardemment; Harreb. III, 77 b; fri. irgens op flamje.

2536. Bang zijn zich aan koud water te branden,

d.w.z. uit vrees voor een (denkbeeldig) gevaar alle mogelijke voorzorgen nemen alvorens iets te ondernemen; meestal gebruikt ‘om eene ongerijmde voorzichtigheid bespottelijk te maken’; Ndl. Wdb. II1, 971; Harreb. I, 31 a; De Telegraaf, 7 Jan. 1915 (avondbl.) p. 5 k. 1: Een onbegrijpelijke angst zich aan koud water te branden; Handelsblad, 10 Sept. 1913 (avondbl.) p. 1 k. 2: Hoe gereserveerd en deftig en fatsoenlijk bleven duizenden (in 1813) de kat uit den boom kijken. Hoe waren er velen bevreesd zich aan koud water te branden; 25 Maart, 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 5: Mits wij geen vrees koesteren om ons aan koud water te branden en op kleine wijze in onze principiëele schulp gaan kruipen; Het Volk, 24 Febr. 1914 p. 6 k. 2: Het is een stumperige manier van doen en teekent den geest van de leiding der voerliedenvereeniging, die bang is zich aan koud water te branden; in het Friesch: hy is bang dat er him oan kâld wetter barne scil; afrik. hy brand hom aan kou water. De zegswijze is ontleend aan de vrees der honden en katten, die wanneer ze zich eens aan heet water gebrand hebben, ook bang zijn voor koud water. Vgl. lat. tranquillas etiam naufragus horret aquas; mlat. igne semel tactus timet ignem postmodo cattus; De Brune, Bank. I, 99: Een gheschoude kat heeft oock vreeze van koud water; fr. chat échaudé craint l'eau froide; hd. eine gebrühte Katze (oder ein verbrühter Hund) scheut auch das kalte Wasser; eng. a scalded cat (or dog) fears cold water (Wander II, 1175).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal